Waarom bezuinigingen vaak averechts werken

donderdag, 5 februari 2026 (15:54) - Joop

In dit artikel:

Vijftig jaar bezuinigingsdrift vormt het raamwerk van dit betoog. In Nederland leverde het recente coalitieakkoord van VVD, CDA en D66 felle kritiek op: verhoging van het eigen risico (naar 460 euro), hogere belastingen, een hogere AOW-leeftijd, versobering van zorg voor chronisch zieken en ingrepen in sociale zekerheid. Ook extra defensie-uitgaven — geframed als een “vrijheidsbijdrage” — en beperkt beleid tegen de acute woningnood wekten verontwaardiging. Omdat de coalitie geen meerderheid heeft, presenteerden de ministers voorlopig een conservatieve begroting en houden ze vast aan een maximaal tekort van 2%.

De kernvraag van het artikel is of die reflex om te bezuinigen zinvol is. Economische argumenten voor zuinigheid neigen ertoe overheidsuitgaven als loutere kosten te zien, terwijl nieuwere CPB‑analyses en internationale studies benadrukken dat publieke investeringen in zorg, onderwijs en betaalbare woningen langetermijnwelvaart scheppen. Het probleem is dat dergelijke baten moeilijk te kwantificeren zijn, waardoor verstandige uitgaven snel als lasten worden weggezet.

Historische context: na de hoogconjunctuur van de wederopbouw (de “Les Trente Glorieuses”) kantelde het denken in de jaren 70 en 80 richting bezuinigingen en marktgerichte hervormingen. Inflatie, oliecrises en het einde van het Bretton Woods-systeem speelden daarbij mee, maar neoliberaal beleid werd ook ingezet om arbeidskracht en vakbonden te disciplineren. Vanaf de jaren 90 verstevigden technocratische instituties en deregulering van financiële markten die koers.

De kredietcrisis van 2008 toonde de risico’s van die koers: zwaar deregulering en speculatie brachten het financiële systeem in gevaar. Centraalbanken antwoordden met ongebruikelijke monetaire steun (QE, 0% rente, swap lines), waarbij veel geld in activa — aandelen en vastgoed — belandde en ongelijkheid groeide. Daarbij versterkten gelijktijdige bezuinigingen de ongelijkheid en remden ze economisch herstel; IMF-onderzoek en ervaringen na 2008 laten zien dat bezuinigingen tijdens recessies vaak averechts werken, het bbp harder doen krimpen dan de schuld vermindert, en uiteindelijk werkloosheid en langdurige economische schade veroorzaken.

De woningmarkt illustreert een specifiek mislukken van beleid: ruime kredietverlening en monetaire stimulering na 2008, gevolgd door vergelijkbare impulsen tijdens de coronaperiode, joegen huizenprijzen los van inkomens. De hypotheekrenteaftrek verergert die overwaardering en kost de schatkist zo’n 10 miljard per jaar — een subsidie die onevenredig naar de topinkomens stroomt. Tegelijk zet de coalitie slechts 1 miljard in vanaf 2029 om de woningcrisis te lijf, en durft zij niet aan de aftrek te komen.

Politiek-economisch rijpt er daardoor kritiek op het dominante denken. ‘Dissidente’ economen zoals Steve Keen, MMT-adepten als Stephanie Kelton en voorstanders van vermogenstaxatie krijgen meer aandacht, terwijl ook binnen conservatieve kringen alternatieve opvattingen opduiken. Bovendien tonen ervaringen dat privé-schulden vaker een crisis veroorzaken dan staatschulden, wat het narratief van onvermijdelijke rampscenario’s rond staatsschuld relatieveert.

Kortom: het artikel betoogt dat automatische bezuinigingsreflexen — ingegeven door ideologische tradities en angst voor staatsschuld — de afgelopen decennia vaak contraproductief hebben gewerkt. In plaats van louter op uitgaven te snijden, pleit de analyse voor het herwaarderen van publieke investeringen (zorg, onderwijs, woningen) als motor voor vraag, werkgelegenheid en duurzame groei. De vraag is of het huidige kabinet vasthoudt aan een status‑quo‑koers die door de praktijk kan worden ingehaald, met mogelijk averechts resultaat voor economische stabiliteit en sociale gelijkheid.