Waar kritiek op Israël een echo van antisemitisme wordt

dinsdag, 19 mei 2026 (10:54) - Joop

In dit artikel:

Op 16 mei 2026 bracht Joop een bericht over een poging om Franse gemeenteraadsverkiezingen te beïnvloeden, waarbij het Israëlische cyberbedrijf Black Core als uitvoerder werd genoemd. De schrijver van dit ingezonden stuk reageert op de reacties onder dat bericht: naar zijn oordeel bevatten veel reacties een duidelijke echo van oud antisemitisme, ook al noemen ze zelden expliciet Joden.

De kern van het oorspronkelijke nieuws is dat commerciële cyberbedrijven uit Israël — denk aan namen als Black Core, NSO en Black Cube — diensten leveren zoals laster, hacking, desinformatie en het aanmaken van nepaccounts; hun klanten komen wereldwijd vandaan en variëren van zakenmensen tot politici en particulieren. Er is volgens de auteur geen publiek bewijs dat de Israëlische staat rechtstreeks opdracht gaf voor de invloedcampagne in Frankrijk. Wel is het bericht voor sommige lezers aanleiding geweest om in de reacties stereotiepe en complottheoretische narratieven te herhalen, maar nu gefocust op “Israël” in plaats van expliciet op “de Jood”.

De complainant maakt onderscheid tussen legitieme kritiek op Israël en antisemitisme, en waarschuwt dat die grens steeds vager wordt. Hij omschrijft een verschijnsel waarin traditionele antisemitische motieven — wereldwijde samenzweringen, morele superioriteit van een vermeend “superras”, het idee dat één actor alle kwaad veroorzaakt — in huidig taalgebruik opnieuw opduiken, maar verpakt als anti-Israël retoriek. Dat leidt volgens hem tot een vorm van “echo-antisemitisme”: men richt alle woede op Israël en daarbij raken ook Joodse mensen buiten Israël in het nauw. Gevolgen variëren van sociale druk en verwachtingen dat Joden zich voortdurend over Israël moeten uitspreken, tot weigering van zaalruimte en zelfs fysieke aanvallen.

Historische context is een belangrijk punt in het betoog: antisemitisme is niet statisch maar past zich aan nieuwe omstandigheden — van middeleeuwse vervolgingen tot de Shoah — en kan zich nu voeden met de emoties rond conflicten in het Midden-Oosten en mediabeelden van geweld. Die aanpassing maakt het moeilijker om onderscheid te houden tussen gerechtvaardigde politieke kritiek en haatdragende, groepsgerichte stereotypen. De schrijver signaleert dat het hedendaagse debat over Israël steeds meer verweven raakt met andere maatschappelijke spanningen (migratie, populisme, polarisatie), waardoor afstand nemen van zionisme een identiteitskenmerk kan worden: het bewijst dat men “aan de goede kant” staat, en leidt tot voorwaardelijke acceptatie van Joden.

Tot slot merkt de auteur op dat een door moderators verwijderd racistische reactie alsnog in zijn stuk is weergegeven omdat die illustratief is voor het probleem dat hij aankaartte. De oproep is impliciet: kritisch debat over beleid en oorlogvoering mag gevoerd worden, maar er moet waakzaamheid bestaan tegen het normaliseren van antisemietische patronen die zich in nieuwe vormen blijven manifesteren.