Waar begint plagiaat bij het maken van een preek?

zaterdag, 21 maart 2026 (08:52) - Reformatorisch Dagblad

In dit artikel:

Ds. M.L. Dekker (63), vroeger zendingswerker in Nigeria en predikant geweest in Nof haGalil (Nechama), dient nu de Gereformeerde Gemeente van Berkenwoude. Hij werkt geconcentreerd maar onder tijdsdruk: maandagen zijn voor klusjes en belijdeniscatechisatie, dinsdagen voor preekvoorbereiding. Na keuze van een tekst leest hij het hele hoofdstuk, onderzoekt de grondtekst (vanwege verblijf in Israël vooral Hebreeuws), vergelijkt meerdere vertalingen (o.a. King James) en zoekt thema’s op basis van sleutelwoorden. Hij gebruikt commentaren (Hendriksen, Matthew Henry, Lloyd-Jones), internet en leest hoe collega’s over de tekst hebben gepreekt, waarna hij de preek volledig uitschrijft. Omdat zijn week vol taken zit voelt hij vaak stress: “haal ik het om twee nieuwe preken te maken?” Soms gebruikt hij vroegere preken als gedachtelijn, niet om te kopiëren maar om ontdekkingen van anderen in eigen taal te verwerken; bij letterlijke citaten noemt hij de bron. Recente publiciteit over een collega die wegens plagiaat moest stoppen, zette hem aan het nadenken over grensgevallen. Voor Dekker is doorslaggevend dat de tekst existentieel door hem heen is gegaan en dat prediking exegese combineert met evangelische toepassing en gebed.

Ds. P.D.J. Buijs (64), christelijk gereformeerd predikant in Nunspeet met ruim veertig jaar ervaring, plant vaker ver vooruit (tekstkeuze per kwartaal) en predikt liefst in series voor samenhang. Zijn methode is ambachtelijk: eerst de context en grondtekst, dan een eigen werkvertaling en commentaren, gevolgd door een meditatieve fase waarin hij de gevonden materiaal omzet naar gemeentetaal. Buijs chronologiseert en archiveert wat hij van anderen las, maar vermijdt het letterlijk overnemen van thema’s of punten: “strijden in harnas van een ander houd je niet vol.” Hij schrijft veel uit om helderheid en variatie te bewaren en beschouwt authenticiteit en gebed als vrijmakend.

Ds. G.M. van Meijeren (37) uit Zeist benadrukt het belang van grondtekst en exegese; hij begint vroeg met meerdere vertalingen en maakt daarna een werkvertaling. In drukke weken grijpt hij naar meditatieboeken (Luther, Van Ruler e.a.) om de overgang van exegese naar preek te bevorderen. Ook hij is kritisch over het gemak waarmee kant-en-klare structuren, postilles of zelfs AI-advies kunnen worden overgenomen: het leidt tot „karrensporen” die eigen studie remmen. Hij erkent dat direct kopiëren fout is, maar worstelt met vragen over wanneer eerlijke benutting van andermans inzichten plagiaat wordt. Voor hem moet een preek uiteindelijk “een eigen kindje” zijn — doorgebeden en geordend in diens persoonlijke roeping.

Overkoepelende thema’s: preekvoorbereiding blijft werk van exegese, meditatie en pastoraat; tijdsdruk en administratieve taken vormen drukpunten; clerus gebruikt volop andermans bronnen maar legt de nadruk op verwerking en authenticiteit; recente plagiaatszaken hebben discussie aangewakkerd over grenzen tussen inspiratie en overname. De predikanten vragen tegelijk begrip van hun gemeenten voor de druk waaronder zij preken en wijzen op het centrale belang van gebed en geestelijke appropriëren van de tekst.