Vwo-examen Nederlands draait om dierenrechten, veganisme en klimaatbeleid
In dit artikel:
Het vwo-examen Nederlands van 2026 bevat meerdere teksten en opdrachten rond politiek beladen thema’s, waarbij vooral onderwerpen die vaak met links of progressief denken worden geassocieerd centraal staan. Leerlingen krijgen bronnen over dierenrechten en dierenemancipatie, veganisme, de bio-industrie, en over de vraag of de economie moet krimpen om het klimaat te redden. Het examen vraagt hen deze betogen te analyseren en de onderliggende redeneringen te bevragen.
Een hoofdonderdeel richt zich op dierenrechten. Leerlingen moeten reageren op de vraag in hoeverre grondrechten voor dieren dé oplossing voor dierenleed zijn. De filosofe Martha Nussbaum en haar capabiliteitsbenadering staan daarbij centraal: volgens die invalshoek gaat een volwaardig leven verder dan alleen pijnvrij zijn en basisbehoeften voldoen. De tekst koppelt dierenrechten bovendien expliciet aan emancipatie, wat de vergelijking met menselijke onderdrukking aanroert. Tegelijk bevat het materiaal ook kritiek op Nussbaum: haar betoog wordt deels als theoretisch en wereldvreemd neergezet en er wordt aangegeven dat ze weinig expliciet ingaat op vleesconsumptie en de bio-industrie — juist een kernpunt in de praktijk.
Tegengeluid is aanwezig maar beperkt. Als tegenwicht zijn er een bijdrage van Vlees.nl die stelt dat vlees lange tijd centraal staat in menselijke voeding en dat vervanging door plantaardige alternatieven niet zonder risico’s is, en een tekst van de conservatieve filosoof Roger Scruton die dierenrechten afwijst en wijst op het verband tussen rechten en plichten. Deze bronnen maken het onderdeel minder eendimensionaal, maar de themakeuze blijft opvallend.
Het examendeel over klimaatbeleid bespreekt Postgroei- en degrowth-standpunten: sommige auteurs menen dat sterke consumptiereductie nodig is om een klimaatcatastrofe te voorkomen. Daartegenover staat CPB-directeur Pieter Hasekamp, die opgelegde krimp risicovol noemt en waarschuwt voor ingrepen die fundamentele menselijke aspiraties ondermijnen; ook in dit deel verschijnen reacties die pleiten voor meer overheidssturing, zoals reclamebeperking en extra middelen voor consumentenbescherming.
Verder bevat het examen ook materiaal dat kritischer is op postmoderne taalopvattingen; descriptivisme wordt bijvoorbeeld als problematisch aangemerkt. Conclusie: hoewel er meerdere tegengeluiden zijn, confronteert het 2026-examen scholieren opvallend veelvuldig met onderwerpen die politiek en ideologisch geladen zijn, en vraagt het hen deze controverses kritisch te wegen.