VVD'ers met angst voor een zogenaamd radicale Klaver? Bekijk deze toespraak eens

zaterdag, 24 januari 2026 (22:37) - Joop

In dit artikel:

Jesse Klaver sprak vrijdagavond kort in de Bossche Azijnfabriek: ongeveer vijftien minuten. Zijn boodschap was duidelijk en hard: GroenLinks-PvdA zal onder geen voorwaarde instemmen met bezuinigingen op zorg en sociale voorzieningen — een expliciete rode lijn. In politieke kringen buiten links werd die stellingname door sommige partijen met opluchting begroet; CDA, D66 en VVD reageerden positief, en Dilan Yesilgöz noemde Klavers woorden “moedig”. Tegelijk voorziet de auteur dat Klaver snel het verwijt te horen krijgt dat hij te radicaal is, niet constructief, en partijbelang boven landsbelang stelt. De waarschuwing is dat pijnlijke maatregelen zoals een hogere eigen bijdrage in de zorg vooral kleinere inkomens raken: mensen die de maandelijkse premie betalen, maar uit angst voor kosten toch zorg mijden.

Als tegenwicht voor de mogelijke beschuldiging van radicalisme presenteert de tekst een historisch voorbeeld van wat toen als een revolutionaire toespraak gold: P.J. Troelstra op 11 november 1918 in Rotterdam, kort na het einde van de Eerste Wereldoorlog. Troelstra, destijds leider van de Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (SDAP, de voorloper van de PvdA), hield een langdurige, vurige toespraak waarin hij Europa’s omwentelingen van dat moment aanhaalde — acties in Rusland, Duitsland, Oostenrijk en elders — en daarvan het Nederlandse arbeidersproletariaat als leermeester voor de eigen machtsovername liet spreken.

De verslaggever van De Telegraaf, Philip Pinkhoff, deed uitvoerig verslag van die bijeenkomst. Troelstra schetste een beeld van een mende bourgeoisie terwijl het arbeiders­bewustzijn zich verzette; hij kondigde een revolutionaire toestand in Nederland aan en pleitte voor machtsvorming door organisatorische middelen: vakorganisatie en arbeiders- en soldatenraden die in korte tijd grote hervormingen zouden kunnen doorvoeren. Hij benadrukte dat dit niet synoniem hoefde te zijn met anarchie of willekeurig geweld en probeerde zich te distantiëren van sommige excessen van de Russische revolutie, terwijl hij toch de sluimerende kracht van revolutie en de noodzaak tot handelen onderstreepte. Op sommige momenten ging zijn toon ver — hij sprak over het “nemen” van macht en oordeelde hard over de gevestigde orde — wat leidde tot enthousiaste reacties in de zaal, maar ook tot tumult en tegenwerpingen.

De interne verdeeldheid binnen links kwam in het verslag ook naar voren: Troelstra refereerde aan debat en onenigheid met syndicalisten en meer radicale groepen (zoals Kolthek versus Ravesteyn), en waarschuwde tegen het kopiëren van buitenlandse modellen zonder rekening te houden met de Nederlandse werkelijkheid. Hij maakte duidelijk dat de SDAP geen geweldspartij wilde zijn en pleitte voor organisatie boven anarchie; toch was zijn retoriek onmiskenbaar revolutionair van toon en ambitie.

Historisch gezien mislukte Troelstra’s oproep: de beweging leverde geen omwenteling op en keerde zich niet tegen koningin Wilhelmina of de bestaande staatsorde. Het gevolg was politiek pijnlijk voor de SDAP: de partij bleef lange tijd, ongeveer twee decennia, buiten regeringsverantwoordelijkheid. De episode kwam later als “Troelstra’s vergissing” in de geschiedenisboeken te staan — een voorbeeld van hoe revolutionaire retoriek, ook als ze deels organisatorisch en gematigd bedoeld is, kan terugvallen op electorale en institutionele isolatie.

De auteur gebruikt deze historische reconstructie expliciet als een “preventieve actie”: een reminder aan contemporaine lezers en politici over wat echt radicale taal en streven betekende in andere tijden. Het stuk wil daarmee relative­ren: Klavers ferme “rode lijn” tegen bezuinigingen is scherp, maar staat op gespannen voet met het veel radicalere taalgebruik van Troelstra in 1918.

Tot slot wijst de auteur erop dat actuele kwesties buiten dit debat niet mogen verdwijnen: het toeslagenschandaal, de kwestie rond de Groningse gaswinning (waarbij nog putten open blijven en Friesland een omstreden compensatie kreeg) en bredere rechtsstaat- en zorgvragen verdienen voortdurende publieke aandacht. Voor wie meer wil horen of lezen over politiek-historische contexten verwijst de tekst naar de podcast Het Geheugenpaleis en naar de oorspronkelijke, volledige tekst van Troelstra’s toespraak in Het Volk van 12 november 1918.

Kort samengevat: Klaver profileert zich nu als principieel tegen bezuinigingen in zorg en sociale voorzieningen en kreeg daarover gemengde reacties; de auteur haalt P.J. Troelstra’s veel radicalere, historische oproep uit 1918 aan om perspectief te bieden op wat “revolutionair” werkelijk inhield en om te benadrukken dat scherpe politieke taal soms desastreuze politieke isolatie tot gevolg kan hebben — terwijl tegelijkertijd actuele schandalen en maatschappelijke pijnpunten de aandacht behoeven.