VVD en GL-PvdA verheffen artikel 1 tot supergrondrecht
In dit artikel:
Woensdag debatteerde de Tweede Kamer over een wetsvoorstel dat de Rijksoverheid de juridische bevoegdheid geeft om nieuwe, concretere kerndoelen vast te stellen voor het basisonderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs. De kerndoelen zelf werden vorige week openbaar gemaakt: ze beslaan negen leergebieden (onder andere Nederlands, rekenen, burgerschap, digitale geletterdheid en kunst) en worden gefaseerd ingevoerd vanaf komend schooljaar. De SLO stelde ze op in overleg met leraren, leerlingen, experts en maatschappelijke partners.
De Kamer discussieerde niet over de inhoud van die kerndoelen — dat volgt later — maar over wie het laatste woord krijgt en over de ruimte die scholen behouden om onderwijs vanuit een religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging te geven. Staatssecretaris Koen Becking (VVD) wilde de Kamer aanvankelijk niet betrokken zien bij de vaststelling; ChristenUnie en JA21 dienden een wijziging in zodat de Kamer wél het laatste woord krijgt.
Oppositiepartijen GL-PvdA en VVD uitten bezorgdheid over bijzondere scholen die bijvoorbeeld homoseksualiteit afwijzen of beweren dat hun religie de enige juiste is. Zij zien zulke uitingen als discriminerend en vinden dat gelijkheid en de veiligheid van leerlingen zwaarder moeten wegen dan vrije schoolopvoeding. Becking benadrukte dat scholen vrij zijn een eigen overtuiging uit te dragen, mits zij voldoen aan hun wettelijke plicht om een veilige en accepterende schoolcultuur te waarborgen. De discussie raakt aan het spanningsveld tussen het grondrecht op onderwijsvrijheid (artikel 23) en het gelijkheidsbeginsel (artikel 1), waarover nog politieke keuzes gemaakt moeten worden.