Voor Oost-Duitse jongeren is het debat over Oost en West nog steeds urgent

woensdag, 27 mei 2026 (11:29) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

27 mei 2026 — Drie jonge kunstenaars uit het voormalige Oost-Duitsland — Josefine Luka Simonsen, Luisa Bäde en Karolin Benker — brengen met hun multimediale voorstelling Ostbegegnungen: Nachwendekinder alive and kicking! en het initiatief Netzwerk Nachwendekinder een debat op gang over wat het betekent om als generatie ná de Wende in het Oosten te zijn opgegroeid. In een voorstelling in Keulen en in interdisciplinaire workshops onderzoeken zij met dans, theater, film en tekst hoe collectieve herinneringen, familieverhalen en onzichtbare ongelijkheden doorwerken in het leven van Nachwendekinder: mensen die na de val van de Muur zijn geboren en zelf geen levende herinnering aan de DDR hebben, maar wel de gevolgen ervan ervaren.

Wat gebeurt er en waar: sinds 2022 organiseren Simonsen en Bäde samen met anderen workshops waarin deelnemers hun Oost-Duitse achtergrond autobiografisch bewerken. De bijeenkomsten—ook één die in West-Duitsland plaatsvond—leiden vaak tot emotionele herkenning: deelnemers ontdekken dat angsten, schaamte en economische achterstanden niet individuele tekortkomingen zijn, maar structurele erfenissen van de transformatieperiode. De makers benadrukken dat gezamenlijk werken het persoonlijke en lichamelijke geheugen opent op manieren die solistisch onderzoek niet bereikt.

Feiten en cijfers: meer dan 35 jaar na de hereniging blijven economische en sociale verschillen hardnekkig. Voltijdwerknemers in het Oosten verdienen gemiddeld zo’n veertien procent minder bij gelijke kwalificaties; erf- en vermogensverschillen zijn groot—erfbelasting wordt nauwelijks in het Oosten geïnd—en Oost-Duitse inwoners bezitten minder vaak en minder waardevol onroerend goed. Bestuurlijke en bedrijfstoppen zitten veel vaker in het Westen; investeringen, koopkracht, patenten en zelfs het aantal tennisbanen blijven ongelijk verdeeld. Socioloog Steffen Mau spreekt van een ‘phantomgrenze’ die Duitsland nog steeds doorkruist.

Publieke perceptie en politiek: studies (onder meer van de Otto Brenner Stiftung) tonen dat bijna zeventig procent van de Nachwendekinder vindt dat hun herkomst dagelijks meetelt; één op de vijf noemt zich expliciet Oost-Duits. In West-Duitsland overheerst vaak het idee dat de kwestie voltooid is. Media en politieke discours leggen veel nadruk op rechts-populisme en de AfD in het Oosten, wat de negatieve beeldvorming versterkt en door de AfD wordt uitgebuit om ressentimenten aan te wakkeren. Tegelijk waarschuwen de kunstenaars en onderzoekers dat het makkelijk is om rechtse sympathieën als puur Oost-Duitse kwestie af te doen: rechts-extremisme is ook in het Westen aanwezig en de oorzaak ligt complexer in ongelijkheid, beeldvorming en politieke verwaarlozing.

Identiteit en diversiteit: de categorie ‘Oost-Duitser’ is geen homogene groep. Jonge journalisten en onderzoekers wijzen erop dat migratiegeschiedenissen (zoals voormalige contractarbeiders uit Vietnam) en niet-witte Oost-Duitse ervaringen lang onderbelicht waren. Voor velen is Oost-bewustzijn deels een product van hoe men in het Westen wordt gezien: stereotypen over accent, werkloosheid of politieke houding duwen Nachwendekinder in de rol van ‘uitlegger’ of verdediger van het Oosten. Tegelijk groeit bij jongere generaties een zekere trots en herwaardering: het label ‘Ossi’ wordt door sommigen juist omarmd.

Intergenerationele spanningen en verwerking: veel gezinnen hielden lange tijd het zwijgen rond DDR-ervaringen in stand—of presenteerden het uitersten (of idyllisch of repressief). Ouders waren na 1989 vooral bezig met overleven: baanverlies, sluiting van voorzieningen en afnemende steun maakten ruimte voor weinig openheid. Dat bemoeilijkt gesprekken tussen Nachwendekinder en hun ouders. Toch tonen de workshops dat persoonlijke confrontatie en gedeelde reflectie kunnen helpen het stilzwijgen te doorbreken; Bäde benadrukt dat verwerking van DDR-misstanden een opgave voor de hele samenleving is, niet alleen voor individuen.

Waarom er geen grote jeugdoppositie ontstond: in tegenstelling tot de protestgeneratie van 1968, hadden Nachwendekinder na 1989 geen duidelijk tegenspelers binnen een elite om tegen in opstand te komen; veel ambtenaren en lagere functionarissen verdwenen of werden gedeclasseerd, waardoor nuance en collectieve verantwoording lang achterwege bleven. Bovendien maakt de nabijheid tot ouders die ingrijpende verliezen meemaakten het moeilijk om ongenuanceerd te polariseren.

Wat nu te doen: onderzoekers en kunstenaars pleiten voor het creëren van meer publieke ruimtes voor gesprek—zodat Oost-Westverschillen benoemd kunnen worden zonder polarisatie—en voor het erkennen van diversiteit binnen het Oosten. Het idee om de Dag van de Duitse Eenheid te hernoemen tot een Dag van Diversiteit symboliseert de roep om culturele gelijkwaardigheid naast politieke eenheid. Initiatieven als Netzwerk Nachwendekinder tonen dat kunst en gemeenschappelijke reflectie een belangrijke rol kunnen spelen bij het zichtbaar maken van vergeten verhalen en bij het bevorderen van een breder, minder eenzijdig debat over verleden, ongelijkheid en identiteit.