Voor muurschildering in Artis maakte Thomas (37) enorme viltstift: 'Ik zag het perfecte materiaal in de bouwmarkt'
In dit artikel:
Kunstenaar Thomas Trum heeft een nieuwe muurschildering gemaakt in het trappenhuis van het Groote Museum van Artis in Amsterdam, een plek die na heropening vier jaar geleden nog onvriendelijk en kantoorachtig aanvoelde. Artis vroeg hem een beeld te ontwerpen dat de entree levendiger maakt; Trum reageerde met lange, kronkelende vormen die als organismen over de muren slingeren en lichamelijke associaties oproepen—denk aan darmen, buizen of wormen—zonder een eenduidige betekenis op te leggen.
Trum (1989) vond inspiratie zowel in de collectie van het museum—waar overeenkomsten tussen levensvormen, zoals vergelijkbare spermacellen van verschillende soorten, opvallen—als in zijn eigen jeugd en graffitiachtergrond. De basisidee van de “worm” als eenvoudige, composterende levensvorm bleef hangen en werkt door in het ontwerp. Kleurencombinaties zijn uitgeprobeerd in zijn atelier; uiteindelijk koos hij groen, blauw en rood, losjes ontleend aan kleuren van een exotisch kikkertje en een parkiet.
Technisch onderscheidt dit project zich door het gebruik van extreem grote viltstiften die Trum zelf ontwikkelde: bouwvilt opgespannen tussen latten vormt de punt van een gigantische marker. Die stiften worden door meerdere mensen tegelijk bediend; voor het werk in Artis tekenden Trum, Aukje Fleur Janssen en Mieke Billekens synchroon. In tegenstelling tot eerdere projecten met lange rechte lijnen maakte hij nu gebogen “macaroni”-gereedschap, wat het beeld een slingerende, organische beweging geeft. De uitvoering vergde hoge precisie—een beweging moest steeds identiek zijn en veroorzaakte veel oefenwerk in het atelier—en werd in segmenten op een steiger aangebracht omdat een hoogwerker niet mogelijk was.
Belangrijke voorbereiding omvatte grondig schuren, plamuren en witten van de muur zodat de verf gecontroleerd zou intrekken en overlagen niet uitveegden. Trums werk verwijst naar zijn graffiti-afkomst: groepschoreografie, snelheid en grootschalige gebaren, maar nu vertaald naar een museale context waarin het publiek dat er dagelijks langsloopt iets anders aantreft dan vroeger. Het resultaat transformeert de tot dan toe zakelijke entree tot een coloriet, organisch trappenhuis dat de relatie tussen vorm, schaal en natuurservaring onderzoekt.