Voor Michel Foucault was politiek meer een vrolijke wetenschap dan een strijd om arbitrair vastgestelde waarheden

dinsdag, 29 september 2026 (20:29) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Michel Foucault (1926-1984), wiens honderdste geboortejaar in 2026 wordt herdacht, geldt als een van de invloedrijkste denkers van de moderne tijd. Zijn ideeën over discours, disciplinering, biopolitiek en het panopticon beïnvloedden onder meer de geschiedschrijving, sociologie, politicologie, antropologie en criminologie. Maar zijn blijvende betekenis ligt volgens dit artikel niet alleen in zijn theorieën, maar ook in zijn houding: politiek en filosofie kunnen een vorm van kunst, spel en nieuwsgierigheid zijn.

Die houding kreeg al vroeg vorm. In 1954 bezocht de jonge Foucault het psychiatrische instituut van Ludwig Binswanger in het Zwitserse Kreuzlingen. Tijdens het jaarlijkse Carnaval des fous dansten patiënten en behandelaars samen, tijdelijk zonder hun gebruikelijke hiërarchieën. Binswanger wilde breken met traditionele psychiatrische methoden; zijn carnaval bood Foucault een eerste beeld van hoe bestaande regels en identiteiten tijdelijk konden worden opgeschort. Later zou Foucault geschiedenis zelf omschrijven als een soort carnaval van niet-gerealiseerde alternatieven: een manier om het heden van zijn vanzelfsprekendheid te ontdoen.

Foucault groeide op als zoon van Franse artsen en raakte daardoor persoonlijk betrokken bij de verhouding tussen geneeskunde, macht en politiek. Na de ervaringen van het nazisme wilde hij een maatschappij die niet langer steunde op autoritaire figuren en onaantastbare waarheden. Volgens hem konden alternatieven worden gevonden door te onderzoeken hoe huidige ideeën en instituties historisch waren ontstaan. Geschiedenis moest daarbij functioneren als een ‘tegengeheugen’: een herinnering aan mogelijkheden die ooit bestonden, maar later als onredelijk of onmogelijk werden afgedaan.

In zijn eerste grote boek, *Geschiedenis van de waanzin* uit 1961, liet Foucault zien dat ‘waanzin’ geen tijdloos, neutraal begrip is. De manier waarop samenlevingen afwijkend gedrag benoemen en behandelen verandert historisch en is verbonden met politieke belangen. De moderne psychiatrie ontstond volgens hem niet uitsluitend uit humanitaire vooruitgang, maar ook uit de behoefte van de industriële, bureaucratische samenleving om afwijkingen te herkennen, te isoleren en mensen opnieuw aan te passen aan de maatschappelijke orde. Foucault had deze mechanismen zelf bestudeerd in psychiatrische ziekenhuizen en gevangenissen.

Zijn centrale gedachte was dat ook het mensbeeld zelf veranderlijk is. De moderne mens werd vanaf de negentiende eeuw voorgesteld als een wezen met een verborgen innerlijke essentie die door artsen, rechters, bureaucraten en docenten kon worden blootgelegd en gevormd. Dat idee paste bij een samenleving die mensen wilde monitoren en disciplineren. ‘De mens’ was voor Foucault daarom geen onveranderlijk gegeven, maar een historisch en politiek product dat telkens opnieuw wordt gemaakt — en ook weer kan verdwijnen.

In de jaren zestig botste deze visie met het Franse existentialisme en met communistische bevrijdingsverhalen. Foucault wantrouwde ideologieën die beweerden namens een universeel bevrijd subject te spreken. Zijn ervaringen met homofobie binnen communistische kringen, met repressie in Polen en met politiek geweld in Tunesië versterkten dat wantrouwen. Toch was hij geen apolitieke denker. In 1969 hielp hij aan de universiteit van Vincennes studenten en docenten die door de autoriteiten werden onderdrukt. Hij protesteerde tegen politiegeweld, racisme en het verbieden van progressieve bijeenkomsten.

Vanaf 1970 werkte Foucault aan het Collège de France, waar hij tot zijn dood publieke colleges gaf. In *Discipline, toezicht en straf* uit 1975 onderzocht hij hoe het moderne gevangenissysteem verder reikt dan de gevangenis zelf. Waar openbare lijfstraffen zichtbaar geweld toonden, werkt de moderne staat volgens Foucault via voortdurende observatie en de verwachting dat men wordt bekeken. Het panopticon — een gevangenisontwerp waarin iedereen permanent observeerbaar is — werd zo een symbool voor een samenleving waarin mensen de normen van de toezichthouder internaliseren en zichzelf gaan controleren.

In zijn laatste levensfase verschoof de aandacht van kennis en macht naar de vraag hoe mensen zichzelf kunnen vormgeven. Geïnspireerd door de klassieke Griekse levenskunst ontwikkelde Foucault het idee van ‘esthetische zorg voor het zelf’. Vrijheid bestaat volgens hem niet buiten alle regels en structuren, maar kan juist binnen bestaande omstandigheden worden beoefend. Zoals een kunstenaar met materiaal en beperkingen werkt, kan een mens zichzelf vormen en nieuwe manieren van leven uitproberen. Ook zijn belangstelling voor seksualiteit draaide daarom niet om het blootleggen van een verborgen, essentieel seksueel zelf, maar om het scheppen van nieuwe mogelijkheden.

Foucaults werk werd na zijn dood in 1984, toen hij aan aids overleed, breed overgenomen. Links gebruikten zijn analyses om patriarchale, nationalistische en racistische structuren te bekritiseren. Ook conservatieve en rechts-populistische bewegingen gingen zijn kritiek op liberalisme, communisme, kapitalisme, wetenschap en objectiviteit benutten. Zijn begrippen werden toegepast op onder meer coronamaatregelen, dataverzameling door technologiebedrijven, sociale media en institutioneel racisme. Daardoor ontstond ook ongemak: Foucaults wantrouwen tegenover vaste waarheden kan in een sterk verdeelde samenleving bijdragen aan het idee dat achter elk feit alleen macht en manipulatie schuilgaan.

Juist daarin ligt volgens het artikel een risico. Foucault leefde in een tijd waarin autoritaire waarheden en hiërarchieën moesten worden gerelativeerd. De huidige samenleving wordt eerder gekenmerkt door informatiebubbels, concurrerende perspectieven en gepolitiseerde wetenschap en rechtspraak. Daardoor groeit de behoefte aan gedeelde feiten en een gemeenschappelijke werkelijkheid. Foucault kan vandaag dus niet eenvoudig als blauwdruk worden gebruikt voor nieuwe politieke strijd.

Zijn actuele betekenis ligt eerder in een manier van kijken. Foucault combineerde grote intellectuele nauwkeurigheid met speelsheid, archiefonderzoek met verbeelding en ernst met vrolijke verbazing. Hij zocht ongemakkelijke plekken op — gevangenissen, psychiatrische instellingen en gemarginaliseerde gemeenschappen — en maakte ruimte voor stemmen die doorgaans werden uitgesloten. Zijn werk was niet alleen een aanklacht, maar ook een praktijk om andere levensvormen en identiteiten denkbaar te maken.

De politieke les van deze ‘opgegraven’ Foucault is daarom dat vernieuwing niet uitsluitend hoeft te komen uit grote idealen, vaste principes of een geromantiseerde terugkeer naar het verleden. Politiek kan ook een kunst en een concrete praktijk zijn: nieuwsgierig omgaan met bestaande materialen, normen en mogelijkheden, en ruimte scheppen voor wat nog niet bestaat. Tegenover somberheid en fatalisme stelt Foucault een ‘vrolijke wetenschap’, een ernstige maar speelse politiek — een hedendaags Carnaval des fous.

BEKIJK OOK:

Vandaag Inside: Raymond Mens vertelt In de Wandelgangen openhartig over de dood: 'Dat lijkt me heel erg'