Voor het eerst sinds 1989 staat een coalitie constructief tegenover kernwapens als afschrikkking

dinsdag, 28 april 2026 (07:00) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Het Nederlandse kabinet-Jetten markeert een breuk in het beleid: voor het eerst sinds het einde van de Koude Oorlog spreekt een regering zich voorzichtig positief uit over kernwapens door steun te betuigen aan het versterken van een Europese nucleaire afschrikking. Die formulering staat centraal in het nieuwe coalitieakkoord en contrasteert sterk met decennia van Nederlandse inzet voor kernontwapening, gevoed door politici, wetenschappers en maatschappelijke organisaties.

Achtergrond en eerdere inspanningen
De wens naar een wereld zonder kernwapens kreeg internationaal extra gewicht toen president Barack Obama in 2009 in Praag de ambitie uitsprak om nucleaire arsenalen terug te brengen. De Nederlandse politicoloog en diplomaat Ivo Daalder werkte toen als NAVO-ambassadeur aan het vertalen van die ambitie naar bondgenootschapsbeleid; in 2010 nam de NAVO in haar doctrine op dat zij een nucleair bondgenootschap blijft “zolang” kernwapens bestaan — een woordkeuze die het streven naar uiteindelijke uitbanning niet uitsloot.

In februari 2014 organiseerden Daalder en voormalig Amerikaanse minister Madeleine Albright in München een bijeenkomst met westerse ex-ministers en topmilitairen over vermindering van kernwapens. Kort daarna kantelde de internationale situatie: de annexatie van de Krim en het neerhalen van vlucht MH17 maakten hervatting van ontwapeningsinspanningen vrijwel onmogelijk. Desondanks bleef er in Nederland lange tijd een sterke maatschappelijke en politieke stroming die pleitte voor actieve diplomatie en deelname aan verdragen die tot vermindering of verbod zouden moeten leiden.

Nederlandse acties en maatschappelijke druk
Onder minister Bert Koenders onthield Nederland zich in 2016 als enige NAVO-lid van stemming bij een VN-resolutie over een wereldwijd verbod op kernwapens en stuurde het als waarnemer afgevaardigden naar onderhandelingen over het Verdrag inzake het Verbod op Kernwapens (TPNW). Binnenlandse campagnes en petities van artsen, kerken, vredesgroepen en bekende Nederlanders drukten de kwestie op de politieke agenda. Ook in coalitieakkoorden van Rutte- kabinetten werd tot voor kort expliciet verwezen naar inzet voor een kernwapenvrije wereld, gesteund door politici uit uiteenlopende partijen en meerderen uit de wetenschappelijke wereld, waaronder Nobelprijswinnaar Ben Feringa en natuurkundige Robbert Dijkgraaf.

De omslag na 2022
Het kantelpunt kwam in 2022: de Russische invasie van Oekraïne, de verslechterde relaties binnen de NAVO en onzekerheid over Amerikaanse veiligheidsgaranties (versterkt door politieke retoriek uit Washington) leidden tot hernieuwde aandacht voor afschrikking. De verlenging van belangrijke verdragen zoals New START stokte, en kernwapens werden weer expliciet als reëel onderdeel van strategische overwegingen gezien. Daardoor veranderde het politieke klimaat in Europa: Frankrijk en president Macron pleitten voor grotere zelfstandigheid op het gebied van nucleaire verdediging, en dat voorbeeld vond navolging in Nederlandse formatiegesprekken.

Hoe die verandering in Den Haag tot stand kwam
Tijdens de formatie was de VVD penvoerder voor het buitenlandbeleid en nam zij het initiatief om taal over Europese nucleaire afschrikking op te nemen in het akkoord; naar eigen zeggen leunde de VVD in die formulering op ideeën van Franse zijde. Binnen coalitiepartijen bleken discussies hierover beperkt: in sommige gevallen werd de passage zonder uitgebreid intern debat overgenomen. D66, dat lange tijd expliciet voor ontwapening pleitte, trad in het nieuwe akkoord toe tot een positie die meer nadruk legt op afschrikking. Defensieminister Yesilgöz en CDA-buitenlandminister Tom Berendsen onderschrijven publiekelijk dat geloofwaardige nucleaire afschrikking door de NAVO belangrijk blijft voor Nederland.

Reacties uit politiek en samenleving
De omslag stuit op kritiek van pacifistische en anti-nucleaire groepen, maar in het parlement lopen de meningen uiteen: SP en Denk verzetten zich openlijk, terwijl VVD, CDA en delen van D66 het pragmatisch vinden in een wereld met toenemende reële nucleaire dreigingen. Voorstanders benadrukken dat dit geen pleidooi voor gebruik van kernwapens is, maar voor behoud van afschrikking zolang de geopolitieke realiteit daarom vraagt. Tegenstanders wijzen op jarenlange inspanningen en verdragen die reductie en uitbanning nastreven en vrezen dat de nieuwe koers de ontwapeningsagenda ondermijnt.

Internationale context en komende confrontaties
De beleidswijziging vindt plaats te midden van een verhard internationaal klimaat: Poetin blijft kernwapendreigingen uiten, en in de VS roept retoriek over ‘niet uitgesloten’ instrumentarium vragen op rond wat dat praktisch betekent. Tegelijk staat Nederland op het punt deel te nemen aan VN-conferenties over de non-proliferatie, waar de spanning tussen het streven naar ontwapening en de huidige focus op afschrikking zal terugkeren.

Afwegingen en vooruitblik
Zowel tegenstanders als voorstanders erkennen het morele dilemm a: het idealistische streven naar een kernwapenvrije wereld blijft voor velen wenselijk en noodzakelijk op lange termijn, maar realpolitieke overwegingen — zoals onzekerheid over bondgenoten, de opkomst van nieuwe kernmachten en geopolitieke spanningen — dwingen tot herbezinning op onmiddellijke veiligheidsgaranties. Figuren als Robbert Dijkgraaf pleiten voor het combineren van idealen met praktische stappen: blijven streven naar verdragen en vermindering van risico’s, maar eerlijk zijn over de vraag welke afschrikking nodig is zolang kernwapens bestaan.

Kort gezegd staat Nederland op een historisch kruispunt: maatschappelijk én politiek ingestelde inzet voor kernontwapening is lang onderdeel geweest van het buitenlandse beleid, maar geopolitieke ontwikkelingen en druk uit Europese bondgenoten hebben ertoe geleid dat de nieuwe regering in woord en daad meer ruimte geeft aan nucleaire afschrikking. De komende tijd wordt bepalend voor hoe die koers zich vertaalt in beleid, internationale samenwerking en de voortgang van ontwapeningsinitiatieven.