Volgens filosoof Mehdi Belhaj Kacem is 'God' niet meer dan het alwetende externe geheugen van de mensheid

woensdag, 15 april 2026 (11:46) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

De Frans-Tunesische filosoof en schrijver Mehdi Belhaj Kacem (1973) presenteert in zijn essay God, techniek en alwetendheid — gebaseerd op een lezing uit 2016 en in het Nederlands verschenen op 15 april 2026 — een scherpe en prikkelende stelling: wat mensen door de eeuwen heen ‘God’ hebben genoemd, is in wezen niets anders dan het steeds uitdijende technische geheugen van de mensheid, oftewel de technowetenschap. In de begeleidende inleiding plaatst filosoof Pieter Lemmens Kacem als een cultfiguur en radicaal denker; dit is bovendien de eerste vertaling van zijn werk in Nederland.

Kacem begint bij een psychologische en antropologische observatie: de mens externaliseert zijn geheugen — van schrift en boekdrukkunst tot computers en internet — en bouwt daarmee een extern, bijna alwetend archief dat de biologische, individuele herinnering ver overstijgt. Die kloof tussen het oneindig groeiende technische geheugen en ons fragiele biologische geheugen werkt traumatiseerd: we lijden doordat ons innerlijk geheugen voortdurend wordt overvleugeld en gereguleerd door externe systemen. Volgens Kacem manifesteert dat lijden zich niet alleen in sociale misstanden, maar ook in de toename van ernstige geheugen-gerelateerde aandoeningen als dyslexie, autisme, schizofrenie en depressie — uiteenlopende vormen van pogingen om een teveel aan geheugen te sluiten of te ordenen.

Centrale begrippen in Kacems denken zijn het ‘Kwaad’ en het pleonectische systeem. Het Kwaad is voor hem de menselijke neiging om lijden onnodig op te blazen; pleonectiek (van het Oud-Griekse 'meer hebben') duidt op een diepe drang tot toe-eigening: technologische virtuositeit waarmee de mens materieel en cognitief steeds meer van de wereld zich eigen maakt. Die drang is geen modern curiosum maar een proces dat tienduizenden jaren loopt; wat wel nieuw is, is de huidige terminale schaal en snelheid waarmee toe-eigening mogelijk is — de mens neemt de planeet in toenemende mate in bezit.

Kacem stelt dat externalisering van kennis een pharmakon is: tegelijk genezend en vergiftigend. Vanuit die dubbele werking formuleert hij zijn radicale hypothese: de predicaten traditioneel aan God toegeschreven — totaliteit, alwetendheid, almacht, misschien eeuwigheid — zijn theoretisch toepasbaar op de technologie. De materialisering van een totaal geheugen is volgens hem binnen handbereik; God wordt steen voor steen gebouwd als planetaire, technische installatie, en wij leveren het werk.

Hij richt zijn kritiek in de tweede helft van het essay op het transhumanisme. Transhumanisten en sommige tech-elites dromen ervan een superintelligentie of supergeheugen te scheppen: een door mensen gemaakte ‘God’. Kacem traceert intellectuele antecedenten bij Teilhard de Chardin en waarschuwt dat een dergelijke machine-god de mensheid kan overleven of zelfs vervangen. Ethische regulering door Silicon Valley pleit hij af als naïef: de machinerie van pleonectiek ligt zo diep ingebakken in onze bestaanwijze dat morele stuurmanoeuvres mogelijk ontoereikend zijn.

Toch is Kacem niet slechts apocalyptisch: hij positioneert zichzelf als waarnemer en waarschuwingsstem, niet als technofiel noch als passieve fatalist. Hij biedt geen uitgewerkte oplossingen of strategieën van verzet; zijn intentie is veeleer het bewustmaken van het ravijn waar we met hoge snelheid naartoe drijven. Het essay eindigt met een melancholische, bescheiden oproep: het leven en het mens-zijn zijn een wonder dat we niet moeten vergeten — misschien de enige morele noot in een betoog dat vooral waarschuwt voor de prijs van onze technologische ambitie.

Belangrijk is dat Kacems analyse niet alleen filosofisch is maar antropologisch en psychopathologisch verbonden: technologie verandert niet louter onze middelen, maar de structuur van ons geheugen, onze kwetsbaarheid en daarmee ons lijden — en dat maakt de discussie over technologie, ethiek en toekomst des te pregnanter.