Voetbaltrainer Henk ten Cate groeide op in Oost: 'Mij noemden ze een bruine'
In dit artikel:
Robert Vuijsje spreekt met Henk ten Cate (71), voormalig speler en trainer van onder meer Ajax en sinds kort bondscoach van Suriname, over zijn jeugd in Amsterdam, zijn loopbaan en zijn band met de stad. Ten Cate groeide op in een goed gesitueerd gezin; zijn opa, die jukeboxen importeerde en panden bezat in de Vijzelstraat, speelde een belangrijke rol in de familiegeschiedenis. Zijn ouders ontmoetten elkaar bij boksen; zijn vader was zeeman en avonturier, zijn moeder Surinaams. Daardoor groeide Ten Cate in een gemengd gezin op en leerde hij van jongs af Surinaamse cultuur en taal.
Op Kattenburg, waar hij vanaf zijn derde woonde, kende hij een volksbuurt waar vrijwel iedereen in de haven werkte. Hij was voetbaltalent en droomde van een profcarrière; kort speelde hij als jongen een halfjaar bij Ajax, maar hij voelde zich daar niet op zijn plek en keerde terug naar zijn buurtclub ZPC. Vanaf zijn twintigste werkte hij veel in het buitenland en keerde alleen voor korte periodes terug naar Amsterdam, onder meer als trainer van Ajax ruim twintig jaar geleden. Desondanks noemt hij zichzelf een Amsterdammer en bezoekt hij soms zijn oude buurt en lagere school aan de Oostenburgergracht.
Ten Cates herinneringen aan discriminatie zijn genuanceerd: in zijn jeugd waren er weinig donkere mensen in Amsterdam en hij voelde zich meestal geaccepteerd, al werden er wel scheldwoorden gebruikt. Na de Surinaamse onafhankelijkheid in 1975 veranderde dat beeld; de toestroom van Surinamers leidde tot stereotypering en wantrouwen, deels gevoed door filmbeelden en vooroordelen. Hij wijst erop dat zijn opvoeding door zijn moeder en verdere familie belangrijk was voor zijn identiteit: “Een kind wordt opgevoed door zijn moeder,” zegt hij, en hij beschrijft eenvoudige culturele herkenningspunten zoals Surinaams fruit op de Albert Cuyp.
Tegenwoordig woont Ten Cate officieel in Spanje en bezit hij een appartement in Amstelveen; tijdelijk had hij ook een huis bij het Amsterdamse Bos. Hij zegt dat belastingen meespelen in de vraag of hij weer permanent in Nederland zou willen vestigen. Een kleine verandering bracht zijn waardering voor de stad terug: “Pas toen ik een sloep kocht, zag ik hoe mooi Amsterdam is.” Vanaf het water ervaart hij de stad als prachtig en veel beter gerenoveerd dan in zijn jeugd, al merkt hij ook een verharding in het debat en schrijnende opmerkingen, onder meer richting Joden, wat hem zorgen baart.
Als bondscoach van Suriname staat Ten Cate voor een sportieve missie: hij leidt het elftal in het laatste deel van de WK-kwalificatie en spreekt vertrouwen uit in kwalificatie: “Wij gaan naar het WK.” Dat vertrouwen ziet hij als essentieel om dat ook aan spelers over te brengen. Hij volgt pragmatisch het proces—hij ligt er niet wakker van, maar denkt voortdurend na over teamopstelling en combinaties, omdat de beste elf spelers niet per se het beste team vormen. Over de Surinaamse supporterscultuur merkt hij dat Surinamers minder nationalistisch zijn in vergelijking met sommige andere groepen; uitbundige vlaggenparades zijn minder gebruikelijk.
Samengevat schetst het gesprek een man die zijn wortels in Amsterdam nooit losliet, ondanks een internationale carrière, die zijn identiteit in de kruisbestuiving van Nederlandse en Surinaamse cultuur vindt, en die met rustige vastberadenheid werkt aan het sportieve succes van Suriname terwijl hij kritisch maar liefhebbend naar zijn geboortestad kijkt.