Voedsel via de 'korte keten' van boer naar bord: we hebben het er al járen over, waarom lukt het niet?

woensdag, 28 januari 2026 (18:42) - Dagblad van het Noorden

In dit artikel:

Sinds deze maand is de subsidieregeling Oogst van Groningen van 3,2 miljoen euro van start gegaan — een nieuwe poging om korte voedselketens in Noord-Nederland van de grond te krijgen. Het doel is simpel: meer voedsel van akker naar bord binnen de eigen regio houden, zodat versheid, voedingswaarde en de verdiensten voor boeren toenemen en de afhankelijkheid van lange, kwetsbare logistieke lijnen afneemt. De regeling valt onder Toukomst (Nationaal Programma Groningen) en komt bovenop provinciale landbouwprogramma’s en samenwerkingen in de Agro Agenda voor Drenthe, Friesland en Groningen.

Toch blijkt het opzetten van een korte keten in de praktijk hardnekkig ingewikkeld. De afgelopen jaren faalden meerdere initiatieven: Bionoord, Rechtstreex, Lokalist, De Graanrepubliek en de Gebiedscoöperatie Westerkwartier gingen ten onder. Deze week ging ook De Streekboer failliet — een directe prik voor voorstanders van lokaal voedsel. Oprichter Sandra Ronde wijt het deels aan het uitblijven van gedragsverandering bij consumenten en aan de sterke lobby van grote (supermarkt)ketens; ze roept op tot helderder nationaal beleid. Tegelijk toont het verhaal van groentebedrijf Botmas in Engwierum dat het wel kan: zij draaien met eigen snijcapaciteit en leveren lokaal-biologische groenten aan zorginstellingen en online retailers, maar alleen na grote investeringen en met veel doorzettingsvermogen.

Het artikel inventariseert tien kernproblemen die de korte keten belemmeren — en tegelijk aanwijzingen geven voor oplossingen:

1. Oogst en afzet schalen niet gelijk: gewassen komen in één keer van het land, maar de lokale vraag is vaak te klein voor dat volume; conserveren of verwerken is nodig.
2. Verwerkingscapaciteit is vaak niet regionaal aanwezig: mouterijen, conserveringslijnen en snijlijnen zijn ingericht op bulk en grote, constante aanvoer.
3. Hoge aanloopkosten: opzetten van regionale verwerkende infrastructuur vergt flinke investeringen die boeren met hoge schuldenlast zelden kunnen dragen.
4. Vakken en belangen doorkruisen elkaar: succes vraagt samenwerking tussen landbouw, zorg, onderwijs, verwerkers en afnemers — muren die huidige systemen in stand houden.
5. Kennis blijft te vaak “in de schuur”: pionierende boeren houden leermomenten vaak voor zichzelf omdat zij risico en kosten dragen. Delen moet worden beloond.
6. Politiek is verdeeld en voorzichtig: partijen als BBB spreken vaak van steun maar blokkeren tegelijk vernieuwing; gemeenten nemen initiatieven terwijl landbouwbeleid provinciaal en nationaal ligt, wat voor bestuurlijke ruis zorgt.
7. Bureaucratie en versnipperde subsidielandschappen demoraliseren ondernemers: procedures, loketten en korte subsidieregelingen maken opschaling lastig.
8. Subsidies zijn vaak te kort: Europese en regionale programma’s lopen meestal vier jaar, terwijl verduurzaming en bodemherstel jaren vergen.
9. Afzetzekerheid ontbreekt: boeren hebben lange termijnvraaggaranties nodig (scholen, zorginstellingen, bedrijven) om investeringen rendabel te maken.
10. Volledige regionale zelfvoorziening is onrealistisch: Noord-Nederland produceert op schaal voor de wereldmarkt; export blijft economisch belangrijk. Korte ketens zijn dus níét de heilige graal voor alle sectoren.

Er zijn wel succesverhalen en bestaansrecht voor regioproducten: brood van Wadden-granen, lokale kazen, vlees, sapverwerkers en coöperaties zoals Better foar letter (Friesland) tonen dat het wél kan op kleinere schaal. Provinciale programma’s en de Regiodeal Natuurinclusieve landbouw leverden bovendien concrete projecten en technische oplossingen op.

In Groningen ondertekenden eind juni ongeveer dertig partijen een convenant om korte ketens te stimuleren, met focus op grote afnemers (zorg, onderwijs, overheid). Tot nu toe bleven resultaten beperkt: pilotacties en gesprekken, maar geen grote financiële garanties of structurele verwerkingsoplossingen. Kritiek is dat het convenant symbolisch en te smal is, en dat politieke wil en financiële armslag ontbreken — zeker nu de betrokken wethouder is opgestapt.

De kernboodschap is dubbel: korte ketens bieden duidelijke maatschappelijke voordelen (veerkracht, versheid, hogere marge voor boeren, ecologische voordelen), maar implementatie vereist veel meer dan idealisme. Het vraagt investering in regionale verwerkingscapaciteit, langdurige financiering, institutionele bruggen tussen sectoren en vaste afnamecontracten. Bovendien moet er realisme bestaan over welke producten zich lenen voor regionale verwerking en welke voor export. Initiatieven zoals Oogst van Groningen en lokale ondernemers laten potentie zien, maar om de korte keten structureel te laten slagen is een mix van politiek commitment, publiek-private investeringsvormen en veranderde inkooppatronen bij grote afnemers nodig.