VN bestempelt slavenhandel tot 'ernstigste misdaad tegen de menselijkheid'

donderdag, 26 maart 2026 (13:17) - Het Parool

In dit artikel:

De Algemene Vergadering van de VN heeft een door Ghana ingediende resolutie aangenomen die de trans-Atlantische slavenhandel bestempelt als de “zwaarste misdaad tegen de menselijkheid”. De stemming vond woensdag plaats in New York en eindigde in 123 stemmen voor, 52 onthoudingen (onder meer alle EU-lidstaten) en drie tegenstemmen (de Verenigde Staten, Israël en Argentinië).

Ghanese president John Dramani Mahama nam het initiatief en presenteerde de tekst als een moreel en politiek instrument voor genezing, verzoening en geschiedkundige waarheidsvinding, niet als een juridisch aanklacht. De resolutie roept landen op om gesprekken te voeren over herstelmaatregelen, variërend van financiële compensatie tot formele excuses — een onderwerp dat gevoelig ligt bij veel westerse staten, waaronder Nederland.

De Verenigde Staten keurden met klem af dat de resolutie herstelbetalingen zou impliceren en benadrukten dat er juridisch gezien geen recht op aanspraken bestaat voor handelingen die destijds niet als illegaal onder internationaal recht werden beschouwd (non‑retroactiviteit). Het Verenigd Koninkrijk en de EU onthielden zich omdat het gebruik van termen als “zwaarste” volgens hen juridische onduidelijkheid schept en bovendien een ongewilde rangorde van leed zou kunnen insinueren.

VN-secretaris‑generaal António Guterres benadrukte de omvang en de gruwelijkheid van de trans‑Atlantische slavenhandel: in ongeveer vierhonderd jaar werden naar schatting ruim twaalf miljoen Afrikanen ontvoerd, gedehumaniseerd en gedwongen tot zware arbeid onder extreem geweld. Hij riep lidstaten op tot “moediger” actie om systemisch racisme aan te pakken en blijvende barrières voor mensen van Afrikaanse afkomst weg te nemen.

De resolutie is bedoeld als aanzet, niet als eindstation: Guterres moet rapporteren over de implementatie, wat extra kosten voor de VN‑begroting in 2027 met zich meebrengt. Opmerkelijk is dat de tekst zich uitsluitend richt op de trans‑Atlantische slavenhandel; de Arabische slavenhandel (circa 650–1900) en slavernij binnen het Ottomaanse Rijk, die andere routes, periodes en slachtoffers omvatten, werden niet behandeld. Daarmee blijft de discussie over erkenning, verantwoordelijkheid en mogelijke herstelbetalingen internationaal verdeeld en politiek beladen.