Vlaams Vredesinstituut hekelt nieuw wapendecreet: "Risico dat Vlaams militair materieel toch in Israël belandt, neemt toe"
In dit artikel:
De Vlaamse regering werkt aan een nieuw Wapenhandeldecreet om de export van militair materieel vlotter te maken. Het huidige decreet dateert uit 2012 (met aanpassingen in 2017), maar volgens de regering is een grondige update nodig omdat de regelgeving te complex en soms strenger zou zijn dan Europese minimumregels. Eind 2025 kreeg een nieuw ontwerp in eerste lezing groen licht en begin 2026 volgde een tweede lezing; de uitvoering hangt nu af van adviezen waaronder dat van het Vlaams Vredesinstituut.
Het Vlaams Vredesinstituut, onder leiding van Nils Duquet, waarschuwt in een advies dat de geplande versoepelingen de controle op de uiteindelijke bestemming van Vlaamse wapentechnologie kunnen verzwakken. Vlaanderen produceert vooral gespecialiseerde onderdelen en technologieën (radaronderdelen, cockpitdisplays, software) maar steeds vaker ook kant-en-klare producten zoals onderwaterdrones en nachtkijkers. Omdat deze onderdelen vaak onderdeel zijn van internationale logistieke ketens, is bij export vanuit Vlaanderen niet altijd meteen duidelijk in welk eindproduct of bij welke eindgebruiker ze uiteindelijk terechtkomen. Volgens het Vredesinstituut is daarom blijvend toezicht op eindbestemming en gebruik cruciaal.
De regering wil onder meer minder individuele voorafcontroles invoeren en meer werken met algemene vergunningen en vrijstellingen van informatieplicht, en het Vlaamse toetsingsniveau dichter bij Europese minimumnormen brengen. Dat moet ondernemingen vlotter laten deelnemen aan Europese defensiesamenwerkingen en de Vlaamse defensiesector economisch versterken. Het Vredesinstituut stelt echter dat het voorstel te ver doorslaat naar een economische benadering en te weinig rekening houdt met veiligheids- en mensenrechtentoetsen: vrijstellingen en algemene vergunningen verminderen het zicht op wat er met Vlaamse onderdelen gebeurt en kunnen bestaande embargo’s uithollen.
Een concrete gevoeligheid betreft Israël. Vlaanderen hanteert sinds 2009 een embargo op militaire export naar Israël en verscherpte dat beleid recent nog, maar voorbeelden zoals tankonderdelen die via de Antwerpse haven doorgestuurd werden, tonen volgens het instituut dat controles niet waterdicht zijn. Door versoepelingen kan materiaal via tussenstappen (bijvoorbeeld levering aan landen met ruimere exportregels) alsnog bij partijen als Israël belanden, terwijl Vlaanderen dan minder instrumenten heeft om in te grijpen.
Het advies wijst ook op het gebrek aan uniforme toepassing van Europese regels: lidstaten interpreteren en gebruiken Europese standaarden verschillend (Frankrijk en Duitsland hanteren uiteenlopende benaderingen tegenover Israël en Saoedi-Arabië). Voorstellen om export naar zogenaamde “betrouwbare partners” te versoepelen roepen vragen op: het is onduidelijk welke landen dat zijn en NAVO-lidmaatschap of partnerschap biedt geen garantie (Turkije en de VS worden als voorbeelden genoemd).
Het Vlaams Vredesinstituut roept op tot herziening van het ontwerpdecreet, pleit voor behoud van strikte controles en wijst erop dat België verantwoordelijk blijft voor internationale verplichtingen (zoals het VN-Wapenhandelverdrag, het Wassenaar Arrangement en het EU Gemeenschappelijk Standpunt). Zonder scherp toezicht bestaat het risico dat versoepelingen Vlaanderen uit lijn brengen met die internationale afspraken en dat militair materiaal in “verkeerde handen” terechtkomt.