Vijftig jaar later vragen de Moeders van Plaza de Mayo nog steeds aandacht voor hun verdwenen kinderen

zondag, 22 maart 2026 (08:59) - Dagblad van het Noorden

In dit artikel:

Vijftig jaar na het begin van Argentinië’s laatste militaire dictatuur verzamelen de Moeders van de Plaza de Mayo nog elke donderdag om aandacht te vragen voor hun verdwenen kinderen. Onder hen staat Carmen Arias (84), sinds eind 2022 presidente van de beweging, die deze week meeloopt bij de 2.499ste ronde op het centrale plein van Buenos Aires. De marsen – gestart op 30 april 1977 en sindsdien elke donderdag om half vier – ontstonden omdat samenkomsten in die tijd verboden waren; de vrouwen liepen rondes als vorm van protest en rouw en bouwden daarmee misschien wel ’s werelds langstlopende demonstratie op.

Carmen vertelt hoe haar jongere broer Ángel, een gemotiveerde geneeskundestudent en politiek activist, zich verzet tegen de militaire macht en in het clandestiene Ejército Revolucionario del Pueblo ging. Op 17 mei 1977 verdween hij — sindsdien zoekt Carmen hem en draagt zij de strijd van haar familie in hart en hoofd. Pas op haar 75ste rondde ze een studie Sociale Wetenschappen af; haar scriptie droeg ze op aan Ángel en hield ze bewust offline. Ze draagt de witte hoofddoek – het symbool van de Moeders – sinds 2017, een erkenning die eerder alleen moeders van verdwenen jongeren kregen.

Historische context blijft zwaar: tussen 1976 en 1983 arresteerden en lieten de militairen naar schatting zo’n 30.000 mensen verdwijnen, met honderden geheime detentiecentra en systematisch geweld. De Moeders, aanvankelijk verguisd als “dwaze moeders”, werden doelwit van intimidatie, gevangenschap en laster, maar kregen begin jaren 80 wereldwijde erkenning toen buitenlandse journalisten (onder andere uit Nederland) hun protesten vastlegden. Die internationale aandacht en steun waren cruciaal voor hun zichtbaarheid en overleving; Nederland hielp zelfs fondsen inzamelen zodat de organisatie een kantoor kon huren.

De beweging staat nu voor een nieuwe, politieke strijd. Carmen en collega’s ervaren de regering van Javier Milei als een bedreiging: politici en influencers dicht bij de president relativeren de dictatuur, beledigen mensenrechtenorganisaties en schuwen het woordgebruik niet. Mensenrechtenorganisatie CELS spreekt van stigmatisering en een haatcampagne; staatssteun en samenwerking met groepen als de Moeders zijn opgedroogd en fondsen weggevallen. Tegelijkertijd is er kritiek dat de regering gevangenen die verantwoordelijk waren voor misdaden tijdens de dictatuur bezoekt en dat historische herinnering wordt uitgehold.

Op de Plaza de Mayo gaan de spandoeken en leuzen ook over hedendaagse thema’s als werkloosheid en bezuinigingen; tijdens de mars klonk het nadrukkelijk tegen Milei — niet alleen als aanklacht voor heden, maar als poging de idealen van de verdwenen jongeren te verdedigen. Carmen zegt dat ze wil blijven strijden “zolang mijn lichaam het toestaat” en hoopt dat jongeren het werk overnemen, ook al vreest ze voor de continuïteit: nationaal zijn er nog maar zeven van de oorspronkelijke Moeders over en er is onzekerheid over wie het erfgoed en het symbool zal dragen.

De bijeenkomst is eenvoudig en intens: korte toespraken, lang applaus, stilte in het busje op weg naar het plein. Voor Carmen is het persoonlijk: zoeken, herinneren en publieke waakzaamheid tegen vergeetachtigheid en ontkenning — en een uitspraak als “De enige strijd die je verliest is die je opgeeft” vat haar houding samen.