Vijf jaar geleden hoefde je je niet te verantwoorden als je Hamas een terroristische organisatie noemde
In dit artikel:
Vorige week leidde een Volkskrant‑column van Jolande Withuis over de gebeurtenissen van 7 oktober tot felle discussie; zij schetste daarin gruwelijke gevallen van seksueel geweld door Hamas en sloot daaruit dat die beweging vrouwenhaat belichaamt. In haar column voor Het Parool reageert Natascha van Weezel op de storm aan reacties: critici beschuldigden Withuis van vooringenomenheid, van het goedpraten van het Israëlische beleid en van gebrek aan compassie voor Palestijnen.
Van Weezel plaatst die controverse in een breder perspectief: vijf jaar geleden was het weinig omstreden om Hamas als terroristische en vrouwonvriendelijke organisatie te bestempelen, maar sinds kort klinkt in sommige kringen meer begrip voor Hamas als verzetsbeweging. Ze verwijst naar het oorspronkelijke handvest van Hamas uit 1988 dat opriep tot vernietiging van Israël en naar een bijstelling in 2017 die die formulering verzachtte zonder Israël te erkennen. Het bloedbad van 7 oktober, stelt ze, past daar niet in als teken van gematigdheid.
De column waarschuwt ook voor het klimaat rond kritiek op Hamas: wie zich kritisch uitlaat kan online vernederd worden, bedreigingen krijgen of zelfs politiebescherming nodig hebben — waardoor zelfcensuur dreigt. Van Weezel benadrukt dat het mogelijk en nodig is om zowel de extreemrechtse Israëlische regering en misstanden in Palestijnse detentie te bekritiseren als de wandaden van Hamas te veroordelen; beide bestaan naast elkaar.
Ze verwerpt iedere vorm van verheerlijking van geweld tegen burgers, roept op tot afkeer van de ‘oog om oog’-mentaliteit en droomt van een wereld waarin geweld niet met geweld wordt beantwoord. Van Weezel schrijft wekelijks voor Het Parool.