Vier eeuwen terug wapperde onze driekleur al in de Rode Zee en de Perzische Golf

dinsdag, 17 maart 2026 (15:23) - Joop

In dit artikel:

In 1613 voer VOC-opperkoopman Pieter van den Broecke via de Bab el‑Mandeb naar Jemen en maakte daarmee de eerste Nederlandse handelsaanwezigheid langs de kusten van de Rode Zee en de Perzische Golf. Tijdens een ontvangst in Sanaa liet hij een trompetter het Wilhelmus spelen — mogelijk het allereerste klinken van dat lied in het Midden‑Oosten — en maakte kennis met lokale besturen van het Ottomaanse rijk. Van den Broecke probeerde er handelsvergunningen los te krijgen voor havens als Aden, Mocha en Sanaa en vestigde later een kantoor in Mocha. Zijn reisverslagen vormden een van de zeldzame bronnen over die vroege contacten.

De VOC zocht niet alleen specerijen uit Indonesië; de grote winsten kwamen vaak uit inter-Aziatische handel, waaronder slavenhandel. Met het oog op de zijde‑handel en politieke invloed drong Van den Broecke aan op een VOC-vestiging aan de Perzische Golf. Na de inname van Hormuz in 1622 door Safavid‑Iran samen met de Engelse East India Company, zond Van den Broecke het schip Heusden met opperkoopman Huibert (Umberto) Visnich naar Hormuz. Visnich liet zijn handelswaar via Bandar Abbas naar Isfahan vervoeren en kreeg daar audiëntie bij sjah Abbas I, die de VOC strategisch inzette tegen de Portugezen en de Engelsen.

Sjah Abbas stelde strikte voorwaarden: zijde mocht alleen via het hof worden verhandeld, tegen vaste prijzen. Visnich wist desalniettemin een VOC‑pand bij de bazaar van Isfahan te huren en bouwde zo een lucratieve handelspost op, dichter bij het hof dan de Engelse vestiging. Dit culmineerde ook in diplomatieke uitwisseling: in 1625 stuurde sjah Abbas de hoge hofdignitaris Moesa Beg naar de Republiek der Verenigde Nederlanden; zijn verblijf werd groots ontvangen, maar de kosten (onder meer voor ontvangst en het tegenbezoek van de Nederlandse gezant Jan Smidt) vielen zwaar op de VOC‑kas.

Visnich paste zich cultureel aan — hij leerde de taal, trouwde een Armeense vrouw en verkeerde op goede voet met het hof — maar kwam uiteindelijk onder verdenking van corruptie te staan. Toen hij probeerde te vluchten, werd hij op Ottomaans grondgebied door rovers overvallen en vermoord; zijn schatten gingen verloren. Of hij persoonlijk buitgemaakte gelden achterhield, blijft onduidelijk, maar zijn lot illustreert de gevaren en morele ambiguïteiten van VOC‑handelaren ver van huis.

De VOC‑positie aan de Golf bleef fragiel. Na de val van de Safaviden (1721) en langdurige binnenlandse chaos liep de zijde‑export terug en werd het kantoor in Bandar Abbas in 1759 gesloten. Eerder, in 1753, bouwde de VOC het fort Mosselstein op het eiland Kargh; in 1766 werden de manschappen door zeeheer Mir Mohanna uitgemoordeeld of verjaagd, een daad die hem in Iraanse overlevering tot soortgelijke mythische piratenfiguur maakte.

De schrijver plaatst deze zeventiende‑ en achttiende‑eeuwse bedrijven tegenover hedendaagse Nederlandse besluiteloosheid over militaire aanwezigheid in de Perzische Golf: deden VOC‑kooplieden en gezanten destijds riskscheutend zaken en diplomatie, dan lijkt het moderne Nederland terughoudender. De tekst sluit af met een korte politieke kanttekening: het toeslagenschandaal en de Groninger gasproblematiek mogen niet uit de publieke aandacht verdwijnen, en een verwijzing naar een podcast over politiek en geschiedenis.