Verslag doen in een dictatuur: bij WK wielrennen in Rwanda hoorde je het pr-verhaal van de overheid overal terug
In dit artikel:
Ik reisde ruim drie uur voor vertrek naar Kigali International Airport om verslag te doen van het WK wielrennen — anderhalve week lang ter plekke, het eerste wereldkampioenschap ooit in Afrika, en verreden over een zwaar parcours rond de Muur van Kigali. Al snel werd duidelijk dat deze sportwedstrijd veel meer was dan sport: de Rwandese regering gebruikte het evenement als etalage voor een zorgvuldig opgebouwd imago van orde, veiligheid en vooruitgang, terwijl tegelijk ernstige zorgen over mensenrechtenschendingen, politieke repressie en regionale inmenging blijven bestaan.
President Paul Kagame, die sinds 2000 aan de macht is en vorig jaar herkozen werd met 99,18 procent van de stemmen, profileert Rwanda als een moderne zakencentrum- en toerismebestemming. Initiatieven als ‘Visit Rwanda’ op shirts van Europese topclubs en samenwerkingen met de NBA tonen die ambitie. Tegelijkertijd wijzen rapporten van Amnesty en Human Rights Watch op arrestaties, martelingen en moorden op critici, en beschuldigingen dat Rwanda steun geeft aan de M23-rebellen in Oost-Congo — een regio rijk aan lithium en kobalt die strategisch waardevol is voor technologie en elektrische auto’s.
Gesprekken met Rwanda-kenners zoals Marie-Eve Desrosiers maakten twee kanten zichtbaar: onder Kagame zijn er onmiskenbare economische en infrastructuurverbeteringen, maar die worden gefinancierd en in stand gehouden door autoritair bestuur. Sportbonden zoals de UCI — voor wie een WK in Afrika een langgekoesterde wens was — neigen in officiële uitspraken naar het afschuiven van politieke kritiek en houden sport en politiek gescheiden, een houding die door critici als hulp aan het regime wordt gezien.
Zelf probeerde ik meer te doen dan de sportverslaggeving alleen: een achtergrondstuk over sportswashing en de politieke context was klaar om vooraf gepubliceerd te worden. In Kigali botste ik echter op de praktische en ethische consequenties van werken in een dichtgereguleerde omgeving. Een fotograaf die al eerder akkoord ging, bleek bang dat zijn naam bij kritische foto’s hem in de problemen zou brengen; onze lokale fixer — onmisbaar voor tolken en contacten — raakte doorlopend nerveus over vergunningen en mogelijke gevolgen. Na kafkaëske procedures kreeg zij formeel een UCI-accreditatie, maar de stress bleef, met nerveuze appjes en vragen of we het verhaal wel “positief” zouden maken.
Die onrust leidde tot een ingrijpend redactioneel besluit: het achtergrondartikel over sportswashing werd uiteindelijk niet gepubliceerd om de fixer en lokale bronnen niet bloot te stellen. In plaats daarvan werd een vooraf opgenomen NRC-podcast — die minder zichtbaar zou zijn — online gezet. Ook dat lekte uit: de fixer vroeg direct of de aflevering politiek van aard was, wat mijn gevoel van observering en mogelijke intimidatie versterkte.
Ter plaatse waren de signalen van gecontroleerde vrijheid alom: bewapende agenten langs het parcours, detectiepoortjes in openbare ruimten, het ontbreken van straatarme pendants als zwervers of zwerfhonden, en kleine gedragsregels en opmerkingen die aangaven wat wel en niet gezegd mocht worden. Anekdotes van hotelmanagers die zeggen dat autoriteiten hotelkamers onaangekondigd kunnen controleren of suppoosten die fotoverboden handhaven, voedden het gevoel van toezicht. Voor mij kantelde ongemak in achterdocht: was ik doelwit van subtiele waarschuwingen of zag ik dingen die er niet waren? Dat onbehagen enerzijds en de risico’s voor lokale medewerkers anderzijds bepaalden de uiteindelijke journalistieke keuze.
Het verhaal illustreert een groter dilemma: internationale sportevenementen worden steeds vaker ingezet door autoritaire staten om een positief imago te projecteren — een trend die niet beperkt is tot Rwanda en ook zichtbaar is bij oliestaten en andere regimes. Voor journalisten en organisatoren betekent dit lastige afwegingen: beschermen van bronnen en fixers, aandacht voor mensenrechtenrapporten en tegelijk de wens om sportevenementen eerlijk te verslaan. Mijn ervaring in Kigali laat zien dat kritisch verslag doen in zulke contexten niet alleen inhoudelijke moed vergt, maar ook praktische zorgvuldigheid en morele keuzes over wie je in gevaar brengt door je publicaties.