Verreweg de meeste homostellen wonen in Amsterdam, vrouwen gaan vaker uit elkaar
In dit artikel:
Op 1 april 2001, om middernacht, voltrekste voormalig burgemeester Job Cohen in Amsterdam de allereerste huwelijken tussen partners van hetzelfde geslacht in Nederland. Nu, 25 jaar later, onderzocht het CBS de cijfers rond die mijlpaal en brengt een paar opvallende patronen aan het licht.
Sinds de wetswijziging zijn zo'n 36.000 homohuwelijken geregistreerd; iets meer dan de helft daarvan betreft twee vrouwen. Uit de cijfers blijkt dat vrouwenparen na het huwelijk gemiddeld sneller uit elkaar gaan dan mannenparen: van vrouwen die in 2015 onderling trouwden was bijna een kwart binnen tien jaar weer gescheiden, terwijl dat percentage voor mannen en voor heterokoppels rond de 13 procent ligt.
Geografisch concentreren homohuwelijken zich sterk in de grote steden, met name Amsterdam. Van alle inwoners die sinds 2001 trouwden, trouwden 44 per 1.000 Amsterdammers met iemand van hetzelfde geslacht; landelijk is dat 17 per 1.000. In meer religieus-conservatieve gemeentes op de biblebelt, zoals Urk en Woudenberg, komt eenzelfde‑geslachtshuwelijk veel minder voor (ongeveer 1 per 1.000).
Een tweede CBS‑analyse laat zien dat begin 2024 bijna 10.000 samenwonende kinderen werden opgegroeid door een ouderpaar van hetzelfde geslacht — zes keer zoveel als in 1995 — en dat negen op de tien van die ouderparen uit twee vrouwen bestaat. In Amsterdam vormen ouders van hetzelfde geslacht 0,8 procent van alle ouders (landelijk 0,5 procent). Omdat kinderen juridisch op één adres kunnen staan en maximaal twee ouders kunnen hebben, zijn er geen aparte cijfers over situaties met meer dan twee opvoeders.