Verhoging minimumleeftijd sekswerk beschermt niet, maar schaadt

dinsdag, 17 februari 2026 (00:26) - NRC Handelsblad

In dit artikel:

In het coalitieakkoord van VVD, D66 en CDA staat dat de minimumleeftijd voor sekswerk wordt verhoogd van 18 naar 21 jaar. De maatregel wordt gepresenteerd als een beschermende ingreep: jongvolwassenen zouden op latere leeftijd weerbaarder zijn en beter hun grenzen kunnen bewaken. In de praktijk leidt dit niet tot meer veiligheid, maar juist tot het systematisch wegnemen van bestaande bescherming.

Sekswerk is een legaal beroep met uiteenlopende motieven voor deelname: van economische nood tot vrije beroepskeuze. Door 18‑ tot 21‑jarigen uit de legale sector te sluiten, verandert hun situatie niet fundamenteel — vraag en aanbod blijven bestaan — maar verdwijnt wel het institutionele vangnet. Jongeren die buiten de wet vallen, durven minder snel geweld of uitbuiting te melden, hebben minder toegang tot hulpverlening en risico’s op misbruik en onveiligheid nemen toe. Illegalisering maakt kwetsbaarheid structureel, iets wat onderzoek en praktijkervaringen voorspelbaar maken.

Achter het plan ligt bovendien een morele reflex: wat voor sommige mensen onaanvaardbaar lijkt, wordt makkelijk bestempeld als onvrijwillig of schadelijk, zelfs wanneer veel andere zware beroepen wél als legitiem worden geaccepteerd. Die inconsequentie wordt exemplair wanneer je het verbod vergelijkt met andere keuzes die jongeren mogen maken, zoals op jonge leeftijd in dienst treden bij defensie.

Internationale voorbeelden laten een ander pad zien. Landen die (gedeeltelijk) ontcriminaliseerden en sekswerkers arbeids‑ en rechtsbescherming gaven — onder meer Nieuw‑Zeeland en België — rapporteren hogere meldingsbereidheid, betere toegang tot zorg en minder misstanden. Effectieve bescherming komt volgens die voorbeelden voort uit regulering, rechten en laagdrempelige hulp, niet uit straf.

Kortom: het verhogen van de minimale leeftijd naar 21 drijft jonge sekswerkers naar de marge en ondermijnt hun veiligheid. Wie echt bescherming wil bieden, moet wettelijke toegang, arbeidsrechten, gerichte voorlichting en laagdrempelige hulpverlening waarborgen in plaats van strafrechtelijke uitsluiting. De huidige keuze in het akkoord staat daarmee haaks op wat veilige, evidence‑based beleidsvorming vereist en resulteert eerder in beleidsmatige nalatigheid dan in echte bescherming.