Verborgen kraters van het Noorden geven hun geheimen prijs in dit boek over pingoruïnes
In dit artikel:
Groningse onderzoekster Anja Verbers (66) heeft in Drenthe, Friesland en Groningen 170 pingoruïnes onderzocht en bundelt haar bevindingen nu in een boek. Deze ronde meertjes en veentjes zijn de resten van ijstijdheuvels die zo’n 20.000 tot 15.000 jaar geleden ontstonden, toen ondergrondse ijskernen de bodem omhoog drukten. Na het smelten van het ijs bleven kuilen achter die zich vulden met gyttja en veen.
Verbers raakte gefascineerd door die ogenschijnlijk bescheiden plekjes omdat ze een verrassend rijk archief vormen: in het veen blijven plantenresten, klimaatsporen en soms ook archeologische vondsten millennia lang bewaard. Bij haar onderzoek, vaak samen met vrijwilligers en studenten, zag ze grote verschillen tussen de pingoruïnes. Een van de meest indrukwekkende vondsten deed ze bij Onneresch, waar een vrijwel intact pakket veen en gyttja nog 15.000 jaar geschiedenis bewaart onder een laag zand.
De geschiedenis van pingoruïnes blijkt bovendien veelzijdig: ze waren ooit turfput, zwemwater, drinkplaats voor vee, ijsbaan, bluswater en soms zelfs een schaopwasplaats waar schapen werden gereinigd. Ook zijn er bijzondere vondsten uit pingomeertjes bekend, zoals oud houten vaatwerk, werktuigen en het beroemde veenlijk van het meisje van Yde. Verbers wil met haar boek laten zien dat deze ‘vennetjes’ veel meer zijn dan simpele plassen: ze zijn waardevol voor klimaatonderzoek, archeologie, cultuurgeschiedenis en natuurbeheer.
Het Oranje Café: Ronald Koeman jr. reageert op harde vragen Valentijn Driessen aan zijn vader: 'Geen respect, man!'