Venezuela-kenner Phil Gunson: 'We weten niet hoelang de hardliners, de mensen met de wapens, deze situatie nog toestaan'
In dit artikel:
Phil Gunson, Britse analist van de International Crisis Group die sinds 1998 in Venezuela woont en werkte als journalist, waarschuwt dat de Amerikaanse inval en de ontvoering van Nicolás Maduro de kans op een vreedzame, democratische overgang naar een onbepaalde — misschien zelfs blijvend uitgestelde — toekomst hebben geschoven. Vanuit zijn appartement in Caracas schetst hij hoe decennia van chavistische machtspolitiek het land politiek en economisch verwoest hebben en waarom de recente gebeurtenissen alles alleen maar complexer maken.
Gunson was ooggetuige van Chávez’ opkomst en van de rechtsgerichte poging tot afzetting in 2002. Hij ziet het patroon: sociale programma’s werden gefinancierd met olie-inkomsten, maar tegelijkertijd werden staatsinstituten uitgehold, werden paramilitaire groepen en ‘colectivos’ opgezet en maakte de president het leger financieel en bestuurlijk afhankelijk. Toen Chávez in 2013 stierf en Maduro zijn plaats innam, verschoof Venezuela volgens Gunson naar een volwaardige dictatuur: systematische martelingen, politieke gevangenen en een economisch verval dat hij als mogelijk het grootste in vredestijd noemt — met 80 procent van de bevolking onder de armoedegrens, extreme inflatie en een vluchtelingenstroom van circa acht miljoen mensen.
Dat economische en politieke verval maakt volgens Gunson juist een legitieme, representatieve regering noodzakelijk: zonder die legitimiteit is het onmogelijk de olie-industrie — goed voor ongeveer 90 procent van de export — weer op gang te brengen. Maar juist die route is geblokkeerd. De oppositie is jarenlang gefragmenteerd tussen gematigden die op onderhandelingen en verkiezingen inzetten en hardliners die direct actie prefereren. In 2024 leek er een zeldzame eenheid te ontstaan rond Maria Corina Machado, die inzag dat deelname aan verkiezingen nodig was, maar Maduro verhinderde haar kandidatuur en zette een substituut in. Machado keerde daarop terug naar haar maximalistische koers en zette alle hoop op Trump.
De rol van de VS is volgens Gunson wisselend en deels tegenstrijdig. Aanvankelijk zocht Trump via gezant Richard Grenell deals met Maduro — onder meer over vluchtelingen en oliewerk met Chevron — maar later zette hij, onder druk van Cubaanse Amerikanen zoals senator Marco Rubio, een militaire dreiging in. Gunson stelt dat de operatie waarmee Maduro werd ontvoerd bedoeld was om een tastbare ‘overwinning’ te demonstreren: de vloot lag klaar en men moest een resultaat laten zien. De aanval kostte tientallen levens en leidde in de diaspora tot speculaties over samenwerking tussen de VS en leden van het regime; Gunson denkt echter niet dat Maduro op voorhand geofferd werd.
Waarom pleegt het leger geen coup? Omdat het volgens Gunson diep in het systeem verankerd is: hoge officieren zitten in ministeries en staatsbedrijven, profiteren van illegale handel in goud en drugs en hebben persoonlijke belangen die binding met het regime versterken. De mislukking van de Guaidó-opstand in 2019 illustreerde dat een gebrek aan militaire steun de oppositie fataal maakt. Zonder grondtroepen van de VS is een gecontroleerde regimewisseling onwaarschijnlijk; en een invasie met Amerikanen op de grond zou Venezuela in chaos storten en oncontroleerbaar geweld kunnen ontketenen.
Wat de olie betreft: Trump profileert zich als beheerder van grote voorraden lekkende naar Amerikaanse belangen en dwingt CEO’s tot grote investeringen. Gunson nuanceert dit: Venezolaanse olie is zwaar, moeilijk en duur om te produceren en te verwerken; politieke onzekerheid maakt grootschalige Amerikaanse investeringen riskant. Voor Rubio en zijn achterban gaat het deels om ideologische scores tegenover Cuba en het voldoen aan diasporaverwachtingen; Trump daarentegen is volgens Gunson vooral geïnteresseerd in macht en controle, niet per se in regimechange.
In Caracas heeft Trump Delcy Rodríguez feitelijk op de voorgrond gezet; onder Amerikaanse druk zijn enkele hoge politieke gevangenen vrijgelaten, maar de machtige hardliners — zoals Diosdado Cabello en minister Padrino López — blijven grotendeels buiten beeld. Op straat zijn geheime diensten en colectivos zichtbaar om elke politieke opening te smoren. De militaire vernedering na de mislukte verdediging tegen de aanval kan hen intern verzwakken, maar voldoende reden geven zij niet om zich te keren tegen het regime.
Gunson pleit ervoor dat de oppositie haar strategie heroverweegt en zich verenigt: radicale posities alleen volstaan niet, maar gematigde tactieken hebben ook gefaald. Hij waarschuwt dat amnestie voor militairen problematisch is — velen zijn verantwoordelijk voor misdaden en later toch aangeklaagd — en dat veel afhangt van politieke ontwikkelingen in de VS. De huidige machtswisseling heeft Venezuela volgens hem tijdelijk tot een afhankelijkheid gemaakt die sterk wordt bepaald door Washingtons keuzes; de vraag is wie uiteindelijk de politieke rekening betaalt en of een werkbare overgang nog mogelijk is zonder verdere escalatie.