Veertiger Constance Debré viel voortaan op vrouwen, stopte als advocaat en schreef een triologie over haar transformatie

maandag, 1 juni 2026 (18:00) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Constance Debré, lid van een invloedrijke Franse familie, doorliep op haar 43ste wat zij en haar kring omschrijven als een lesbische transformatie: ze liet carrière, huwelijk en luxe los, knipte haar haar kort, liet zichzelf tatoeëren, ging leven uit een koffer en zocht intieme relaties met vrouwen. De ingrijpende ommekeer hield ook een morele en juridische confrontatie in: toen ze haar man liet weten definitief te willen scheiden en dat ze alleen nog met vrouwen sliep, eiste hij de volledige voogdij over hun toen achtjarige zoon. In de daaropvolgende rechtszaak koppelden hij en zijn advocaat Debrés seksualiteit en sociale kring aan haar geschiktheid als moeder en suggereerden ze zelfs grensoverschrijdend gedrag in verband met haar vrienden. De Franse rechtbank, gesteld op morele beoordeling, gaf in afwachting van een psychiatrisch onderzoek tijdelijk de voogdij aan de vader; Debré kreeg slechts beperkte, gecontroleerde bezoekmomenten, die vaak last-minute door haar ex werden afgezegd.

Over deze ontwrichtende periode schreef Debré een trilogie: Play Boy (2018), Love Me Tender (2020) en Nom (2022; vertaald als Name). Het tweede deel is recent verfilmd, met Vicky Krieps in de rol van de hoofdpersoon (in de film Clémence geheten). Regisseur Anna Cazenave Cambet legt in de verfilming vooral de nadruk op de juridische en emotionele strijd om het moederschap — een scène in de ontmoetingsruimte tussen moeder en zoon wordt als bijzonder scherp en liefdevol aangevoeld — en Krieps geeft haar personage een zachtere, meer complex getekende kant dan soms uit de boeken doorklinkt.

De columnist/kriticus analyseert Debrés verhalen vanuit verschillende invalshoeken. Ten eerste beschrijft zij een herkenbaar queer-verschijnsel: een late ‘tweede puberteit’ waarin mijlpalen en zelfexpressie opnieuw worden beleefd — nieuwe kleding, kapsel, tatoeages, sociale gewoonten — en noemt dit fenomeen een vorm van aspirational lesbianism. Tegelijk stuitte de recensent op problematische kanten in Debrés zelfpresentatie: een neiging tot (zelf)destructieve masculiniteit, seksistische generalisaties over vrouwen en een ongenuanceerde schaamte ten opzichte van ‘arme mensen’. Ook de term die Debré veel gebruikt — het Franse une fille, vertaald als ‘meisje’ — voelt in het Nederlands vaak ongemakkelijk en de auteur wijst op hoe die woordkeuze relaties en vrouwen reduceert.

Een ander terugkerend thema is performatieve armoede. Debré, afkomstig uit een aristocratisch milieu met prominente voorouders en veel familieprivileges, kiest bewust voor sjofelheid en halsstarrige onafhankelijkheid. Daar zit een paradox: de rebellie tegen haar welgestelde achtergrond is deels theatrale ontkenning; het is geen echte materiële nood maar een pose die vrijheid claimt. De recensent betoogt dat die positie Debré ook blind maakt voor de complexiteit van klassevraagstukken: haar observaties over klassengeweld bevatten scherpe inzichten, maar worden geregeld ondermijnd door afstandelijke minachting en gebrek aan empathie.

Op literaire vlak werd Debré aanvankelijk geprezen om haar kale, losgeslagen stijl en haar directe proza. Het derde deel van de trilogie, zo oordeelt de criticus, is echter grilliger en op sommige momenten destructief nihilistisch: het klinkt dan meer als een manifest tegen afkomst en bestaand gezag dan als genuanceerde zelfanalyse. Toch blijft de woede die eruit spreekt niet zonder fundament; de juridische uitsluiting van lesbische moeders is geen afgesloten hoofdstuk, zoals ook hedendaagse voorbeelden in andere landen laten zien waar lesbische ouders nog steeds juridisch worden benadeeld.

Het centrale knelpunt in Debrés werk en leven is uiteindelijk de botsing tussen haar queer identiteit en haar rol als ouder: de keuze om openlijk vrouwelijk verlangen te volgen heeft haar toegang tot het ouderschap radialer en pijnlijker doen verschuiven dan ze had voorzien. De filmadaptatie van Love Me Tender maakt die worsteling goed voelbaar en benadrukt vooral de existentiële vraag die Debré bezighoudt: mag je partner- en seksuele identiteit je capaciteit om moeder te zijn niet onherroepelijk ontnemen? De recensent besluit dat, ondanks de ergernissen over Debrés houding en stijl, dit laatste thema de belangrijkste en meest urgente motor van haar werken blijft — een pijnlijke, actuele botsing tussen persoonlijke vrijheid en institutionele macht.