Vanwaar komen onze woorden 'belasting', 'taks' en 'fiscus'? Professor taalkunde duikt in de belastingen
In dit artikel:
Nu de belastingaangifte weer nadert legt taalkundige Chris De Wulf (UAntwerpen) in Radio 2’s Goeiemorgen Morgen! en tijdens VRT’s WinWin-belastingspecial uit waar onze financiële termen vandaan komen.
Belasting is letterlijk te begrijpen als een last: het woord verwijst naar iets dat op jou of je bezit gelegd wordt. Het alternatieve woord taks is via het Franse taxe terug te voeren op het Latijnse taxare, dat ‘inschatten’ of ‘bepalen’ betekent — vandaar de link met heffen op een geschatte waarde.
Accijns is een naam voor specifieke heffingen op producten als alcohol, tabak en brandstof. De term ontstond uit een samensmelting van het 12e-eeuwse Franse assise (vaststellen) en cens/census (een oudere term voor pacht of belasting). Hoewel die twee oorsprongen niet verwant zijn, gaven ze samen de betekenis van een vastgestelde productbelasting.
Het woord fiscus heeft eveneens klassieke wortels: het Latijnse fiscus betekende oorspronkelijk ‘mandje’ en werd in Rome gebruikt voor de keizerlijke kas. Die betekenis — de staatskas of schatkist — leeft in het Nederlands al vanaf de middeleeuwen voort. De Franse variant fisque is in de loop der tijd verdwenen.
Financiën tenslotte komt via het middeleeuws Nederlands uit het Latijnse financia, afgeleid van finare, ‘tot een goed einde brengen’ — in de financiële context dus vooral in de zin van schulden vereffenen of betalingen afhandelen.
Deze korte etymologische rondleiding legt niet alleen woordherkomst bloot, maar verduidelijkt ook waarom we voor algemene heffingen andere termen gebruiken dan voor specifieke productbelastingen of voor de staatskas zelf.
Vandaag Inside Oranje: Wilfred Genee tegen Dave Maasland en Bas Nijhuis: 'Dit kan niet, jullie worden hiervoor betaald!'