Vandalisme treft Duitse kerken: „De mensen verachten wat voor ons heilig is"

zaterdag, 30 mei 2026 (08:38) - Reformatorisch Dagblad

In dit artikel:

In Gronau schildert pastoor Michael Vehlken hoe de Sint-Antoniuskerk steeds vaker doelwit is van vernielingen, bevuiling en indringers. Op een regenachtige dag ziet hij daklozen die binnen slapen en het interieur als vuilnis gebruiken, mensen met psychische problemen die schade aanrichten en twee personen die de kerk dagelijks met rode wijn besmeurden en medewerkers intimideerden. Één incident was volgens hem “bijzonder heftig”: een man kantelde de tabernakel, waarin de hosties liggen opgeslagen. Ook vormden protesten na de terreuraanslagen van 7 oktober 2023 aanleiding tot confrontaties toen jonge moslims de Israëlische vlag van de gevel probeerden te verwijderen; ondanks herkenbare videobeelden greep de politie niet in, waarna de vlag uiteindelijk werd weggehaald om de kerk te beschermen.

De schade leidt tot praktische en emotionele gevolgen: deuren worden soms gesloten om vrijwilligers en kerkgangers te beschermen, rituelen en openheid — typisch voor katholieke kerken — staan onder druk, en medewerkers voelen zich onaangenaam verantwoordelijke voor ordehandhaving. Vehlken zegt dat de kerkelijke leiding en de lokale politie hem deels op zichzelf terugwerpen: bisschop en politie geven aan dat men het probleem lokaal moet aanpakken en dat hulpzoekende daklozen niet per se verwijderd hoeven te worden zolang ze geen schade veroorzaken.

Godsdienstsocioloog prof. dr. Detlef Pollack (Universiteit Münster) plaatst dergelijke incidenten in een breder perspectief: hij ziet in de afgelopen twintig jaar een toename van vijandige gevoelens tegenover kerken in Duitsland. Hoewel exacte cijfers over kerkvandalisme ontbreken — het wordt door politie vaak onder ‘kleine delicten’ geschaard — wijzen enquêtes op een slechter imago. Een onderzoek uit 2022 liet zien dat 47 procent van de respondenten religie eerder schadelijk dan nuttig acht; zelfs onder kerkleden was bijna 30 procent die mening toegedaan. Pollack wijst vooral naar de misbruikschandalen sinds circa 2010 als keerpunt dat het vertrouwen van veel burgers ondermijnde en de publieke veroordeling van kerkelijke instituties versterkte.

Financiële kwesties verergeren de aversie: de heffing van de kerkbelasting via de staat (en onduidelijkheid daarover) en jaarlijkse schadeloosstellingen voor vroegere onteigende landgoederen — naar schatting rond 600 miljoen euro per jaar — geven de indruk dat kerken door de staat worden gesteund, wat publieke wrevel aanwakkert. Politieke betrokkenheid neemt af naarmate het aantal leden slinkt, waardoor problemen van kerken minder op de agenda komen. Pollack stelt dat Duitsers de islam nog altijd vaker als bedreigend zien dan het christendom, maar dat het christendom eveneens negatieve connotaties heeft gekregen.

Vernielingen en haat richten zich niet alleen op Gronau; ook kerken in Passau, Essingen, Delmenhorst, Bergisch Gladbach en Mainz meldden soortgelijke problemen. Conclusie: een mix van afnemend vertrouwen door schandalen, financiële onduidelijkheden en veranderende maatschappelijke houdingen zorgt voor minder sympathie en meer vijandigheid richting kerkgebouwen, met concrete gevolgen voor openheid, veiligheid en religieuze praktijk.