Van Piet Mondriaan tot Lizzy Ansingh: hoe De Pijp in Amsterdam een magneet werd voor kunstenaars
In dit artikel:
Kunsthistoricus Michel Didier (65) reconstrueert in zijn nieuwe Cultuuratlas van Amsterdam: De Pijp hoe die buurt vanaf het eind van de negentiende eeuw uitgroeide tot een levendig toevluchtsoord voor schilders, beeldhouwers, schrijvers en muzikanten. Het boek verzamelt adressen van ateliers, pensions en woonhuizen in De Pijp en wijst op tastbare sporen in het straatbeeld: veel oorspronkelijke gebouwen bleven bewaard, waardoor de artistieke geschiedenis nog goed te lezen is in de wijk zelf.
De transformatie begon halverwege de negentiende eeuw toen het voormalige grasland van Nieuwer-Amstel door Amsterdam werd geannexeerd (1896). Ruimtelijke en financiële beslissingen van toen — zoals de verplichte ophoging van terreinen en het toevoegen van extra straten om bouwrendement te behalen — leidden tot ondiepe woningen. Die huizen werden relatief duur en werden vaak in kamers onderverhuurd, veelal door weduwen; daardoor kwamen studenten, dichters en jonge kunstenaars in groten getale naar De Pijp en ontstond een dynamische, tijdelijke cultuur van ateliers en verhuizingen binnen een paar straten.
Belangrijke instituties en locaties speelden een flinke rol. De Rijksakademie trok generaties kunstenaars naar de buurt en was een van de eerste Europese academies die ook vrouwen toeliet; Didier schat dat ongeveer dertig procent van de in zijn atlas genoemde kunstenaars vrouw was. Rond Sarphatipark, de Jan Steenstraat en de Albert Cuypstraat verschenen speciale ateliergebouwen — met grote noord-gerichte ramen — zoals Sarphatipark 42 (1889), mogelijk het vroegste Nederlandse gebouw dat expliciet als ateliercomplex is ontworpen. Bekende bewoners en gebruikers zijn onder anderen Sipke Bool, beeldhouwer Lambertus Zijl, de jonge Piet Mondriaan (die van 1908 enkele jaren in De Pijp woonde) en later de in de oorlog ondergedoken Constant van de Cobra-beweging.
Naast ateliers waren sociale ontmoetingsplekken cruciaal. De Jan Steenzolder in de Tweede Jan Steenstraat functioneerde als atelier én trefpunt waar fotografische portretten en artistieke discussies ontstonden; Didier ziet er de kiem van stromingen als de Bergense School en het luminisme. Ook plekken als het Henrick de Keijserplein — met de voormalige ‘molen zonder wieken’ — vormden een bohémien-hub waar schilders, schrijvers en beeldhouwers samenkwamen.
De Pijp was geen geïsoleerde kunstenaarswijk maar een gemengde buurt: arbeiders, Joodse diamantbewerkers en katholieke schoolmeesters leefden naast kunstenaars. Twee grote katholieke kerken en een synagoge bepaalden mede het religieuze karakter; de Willibrorduskerk (afgebroken in 1970) werd vaak vastgelegd in schilderijen uit die tijd. Politieke en intellectuele bewegingen lieten ook hun sporen na: rond 1900 vestigden zowel de socialistische coöperatie De Dageraad als de theosofische beweging zich in De Pijp, wat invloed had op architectuur, ornamentiek en sommige kunstenaarsnetwerken (o.a. via Mondriaan).
Na de Tweede Wereldoorlog bleef er artistieke activiteit — Didier noemt ateliers en opdrachten van beeldhouwers en schilders — maar de wijk veranderde geleidelijk. Tegenwoordig is De Pijp sterk gegentrificeerd; ongeveer dertig procent van de bewoners zijn expats. Het boek noemt ook hedendaagse namen als kunstenaar Steve McQueen (die tot enkele jaren geleden in De Pijp woonde) en Marlene Dumas, die in de Tolstraat werkt.
Didiers cultuuratlas is geen klassieke wijkgeschiedenis maar een adressen- en ervaringskaart die laat zien waar en hoe kunstenaars leefden en werkten in De Pijp. Het boek nodigt uit om met die kaart de buurt te lopen en de historische lagen in gevels, ramen en straatindelingen terug te lezen. Michel Didier: Cultuuratlas van Amsterdam: De Pijp. Uitgeverij Tijd/Ruimte, €34,95.