Van martelkamer naar WK: Arjen Robben en zijn race tegen de klok. 'Zonder pijn geen genezing'
In dit artikel:
Op 5 juni 2010 raakte Arjen Robben in de Amsterdam ArenA tijdens de uitzwaaiwedstrijd tegen Hongarije met een schot zichzelf zwaar geblesseerd: meteen na zijn fraaie 6-1‑goal greep hij naar zijn linkerhamstring en viel duidelijk geblesseerd uit. De selectie vloog negen dagen later naar Zuid-Afrika voor het WK; een dag na de wedstrijd bevestigde onderzoek in het Erasmus MC dat er sprake was van een hamstringscheur. Bondscoach Bert van Marwijk besloot echter geen vervanger op te roepen en Robben de tijd te geven om mogelijk later in te stromen — zelfs deels geblesseerd bleef hij van grote waarde voor Oranje.
Robben schakelde direct de Rotterdamse fysiotherapeut Dick van Toorn in, een excentrieke en beruchte behandelaar die in Nederland lange tijd de reputatie had spelers met ogenschijnlijk uitzichtloze blessures weer op de been te helpen. Van Toorn ontving Robben vanaf 7 juni in zijn woning in Kralingen; wat daar precies gebeurde werd geheim gehouden en journalisten stonden urenlang te wachten buiten. De behandelruimte van Van Toorn staat bekend als een ‘martelkamer’: zijn aanpak omvatte zeer intensieve, vaak pijnlijke rekoefeningen en fysiek zwaar werk volgens het principe dat je door pijn herstel kunt afdwingen. Robben onderging dagen van zware therapie; na vijf dagen behandelingen vloog hij op 12 juni naar Johannesburg om zich bij de selectie te voegen.
Omdat Van Marwijk al eerder aangaf dat de openingswedstrijd tegen Denemarken (14 juni) waarschijnlijk te vroeg zou zijn, kreeg Robben rust en kwam hij pas in de laatste groepswedstrijd tegen Kameroen (24 juni) in het veld. Zijn invalbeurt van twintig minuten was meteen productief: hij raakte de paal en indirect hielp die actie tot de winnende goal van Klaas‑Jan Huntelaar; Robben stelde na afloop dat hij zich bevrijd en goed voelde. In de knock‑outs groeide hij uit tot een van de bepalende spelers: hij startte in de achtste finale tegen Slowakije en scoorde, was een plaag in de wedstrijd tegen Brazilië en maakte in de halve finale tegen Uruguay het belangrijke 3-1‑doelpunt met zijn hoofd.
In de WK‑finale tegen Spanje (11 juli) schoot Oranje dicht bij succes. Halverwege de tweede helft ontving Robben een steekpass van Wesley Sneijder, sprintte weg en werd oog in oog met doelman Iker Casillas een enorme kans ontnomen — Casillas hield de 0-0 vast en Spanje won uiteindelijk. Bondscoach Van Marwijk bleef achteraf van mening dat Nederland met een volledig topfitte Robben misschien wel wereldkampioen had geworden.
Na het toernooi barstte er discussie los over Van Toorns rol. Bayern München vermoedde dat de behandeling in Rotterdam ertoe geleid had dat de hamstringscheur erger werd, waarna Robben bij Bayern langdurig uitviel. Clubarts Hans‑Wilhelm Müller‑Wohlfahrt stelde dat Van Toorns aanpak schade had vergroot; trainer Louis van Gaal zei dat Robben zich in de toekomst niet meer bij Van Toorn zou melden. Van Toorn zelf noemde de kritiek onzin. Drie jaar later, in 2013, overleed Dick van Toorn op 81‑jarige leeftijd aan complicaties na meerdere herseninfarcten.
Kort samengevat: Robbens blessure leek aanvankelijk een bedreiging voor Oranje’s WK‑aspiraties, maar door een risicovolle, pijnlijke en geheimzinnige behandelmethode van Dick van Toorn wist Robben binnen korte tijd terug te keren en vrijwel het hele toernooi bepalend te zijn — tot net niet genoeg in de finale. De zaak laat zien hoe medische afwegingen, individuele vertrouwenrelaties tussen speler en behandelaar en sportpolitieke risico’s samen kunnen bepalen of een topspeler inzetbaar is op het hoogste podium.