Van Holocaust tot Gaza Genocide: Europa heeft niets geleerd
In dit artikel:
De Israëlische genocideonderzoeker Omer Bartov waarschuwt dat wat in Gaza gebeurt een unieke vorm van genocide is: niet vanwege methoden zoals in 1945, maar door de openlijke steun en de straffeloosheid vanaf westerse zijde. Die analyse krijgt volgens de auteur een concreet bestuurlijk gewicht wanneer je kijkt naar Nederland: een SOMO-analyse, geciteerd door De Volkskrant, toonde dat Nederland in 2023 met zo’n 49 miljard euro nominaal de grootste investeerder in Israël was — een positie die sindsdien niet wezenlijk lijkt te zijn bijgesteld. Zelfs zonder directe wapenleveranties maakt die omvangrijke economische betrokkenheid Nederland indirect medeplichtig aan de gevolgen van Israëls beleid, zo luidt de stelling van de tekst; en daarmee ook het kabinet onder leiding van minister-president Jetten.
De schrijver schetst zijn eigen veranderende blik: opgevoed in een gezin gevormd door WOII-trauma’s, was er lange tijd vanzelfsprekende solidariteit met Israël. Pas later, mede door schrijnende beelden op sociale media en verdieping in de geschiedenis, ontstond inzicht in de Nakba en de systematische marginalisering van Palestijnen — een verhaal dat decennialang in veel Nederlandse media onderbelicht is gebleven. Het online archief van Beeld en Geluid illustreert hoe sterk het pro-Israëlische sentiment in Nederland vroeger was; hedendaagse programmamakers als Nadia Moussaid proberen nu andere stemmen te laten horen, maar veel redacties en talkshows blijven terughoudend.
Die terughoudendheid wordt door de auteur niet louter aan onwetendheid toegeschreven, maar aan een vorm van zelfcensuur: thema’s rond de Nakba en Palestijns lijden krijgen zelden hetzelfde podium als gesprekken over antisemitisme of WOII-herinnering. Talkshows met brede bereikbaarheid — voorbeelden worden genoemd — laten volgens de tekst veelal strategie en veiligheidspolitiek domineren, terwijl de menselijke verhalen van Palestijnse slachtoffers onderbelicht blijven. Dat heeft niet alleen journalistieke consequenties, maar ook politieke: media kunnen publieke en parlementaire druk vormgeven om regeringen te dwingen te handelen in lijn met artikel 1 van het Genocideverdrag, dat staten verplicht te voorkomen en te bestraffen.
De actuele politieke realiteit in Israël wordt scherp veroordeeld: onder premier Netanyahu en minister van Defensie Yoav Gallant (Katz werd eveneens genoemd) zou beleid worden gevoerd dat gericht is op het steeds verder beperken van Palestijns leefgebied in Gaza, met voorstellen die effectief etnische zuivering zouden bevorderen. De militaire acties richten zich niet alleen op Gaza maar breiden zich uit naar Zuid-Libanon, met grootschalige verwoesting, gedwongen verdrijving en duizenden vluchtelingen als gevolg. Ook het uitzenden van Israëls deelname aan evenementen zoals het Eurovisie Songfestival wordt door de auteur gezien als een instrument van normalisering van geweld.
Er wordt status gegeven aan het idee van intergenerationele trauma’s: een Rwandese kennis van de auteur, zelf net aan de genocide ontsnapt, ervaart de Palestijnse ramp als haar eigen trauma. De tekst reflecteert op de vraag of collectieve, doorgegeven trauma’s uit de Holocaust mede verklaren waarom sommige individuen of groepen extreem defensief en gewelddadig reageren — zonder te simplificeren: er bestaat niet “de jood”, “de Israëliër” of “de Palestijn”, en veel joodse mensen zetten zich juist juist pro-Palestina in. Wel benadrukt de schrijver dat Europa een centrale rol had in zowel de antisemitische processen die culmineerden in de Holocaust als in de diplomatieke stappen (zoals de Balfour-verklaring) die de oprichting van Israël en de verdrijving van Palestijnen in de hand hielpen werken.
Onderbouwing voor structurele problematiek binnen Israël wordt aangevoerd met verwijzing naar onderzoek van Nurit Peled-Elhanan, die volgens de auteur aantoonde dat Israëlische schoolboeken geweld tegen Palestijnen in 1948 vaak presenteren als noodzakelijk voor de overleving van de Joodse natiestaat — een pedagogiek die jongeren voorbereidt op militaire dienst en legitimeert wat elders als oorlogsmisdaad wordt bestempeld.
De politieke oproep is concreet: als de Europese meerderheid niet bereid is hard op te treden, moeten landen als Nederland, Spanje en Ierland gezamenlijk sancties overwegen om zich te houden aan de verplichtingen uit het Genocideverdrag. De schrijver stelt dat het Nederlandse kabinet-Jetten de morele en juridische ruimte heeft om paal en perk te stellen aan de huidige straffeloosheid en dat zo’n koerswijziging in Den Haag waarschijnlijk op steun in de Tweede Kamer kan rekenen.
Kort samengevat: de tekst verbindt intellectuele analyses over genocide en straffeloosheid met praktische politieke keuzes — investeringen, mediapolitiek en mogelijke sancties — en roept Nederland en andere Europese landen op tot daadkracht om het lijden in Gaza en de bredere regio te helpen beëindigen.