Van 'een kopje koffie' tot 'aan de drank'... het aantal vaste woordcombinaties in de Nederlandse taal is explosief gestegen
In dit artikel:
Taalonderzoekers Freek Van de Velde en Robbert De Troij (Universiteit Leuven) lieten zien dat vaste woordcombinaties in het Nederlands tussen circa 1850 en 2000 aanzienlijk zijn toegenomen. Ze analyseerden teksten uit literaire en culturele tijdschriften (onder meer De Gids) en gebruikten een statistische methode om te meten hoe voorspelbaar woorden voor of na elkaar voorkomen. In plaats van alleen losse woordparen bestudeerden ze driewoordcombinaties: de aantrekkingskracht tussen aangrenzende woorden is asymmetrisch (bijvoorbeeld ‘honger’ trekt ‘hebben’ anders aan dan andersom), en vier afzonderlijke metingen van die aantrekkingskrachten worden samengevoegd tot één score voor de voorspelbaarheid van het hele trio.
Het onderzoek onderscheidt verschillende gradaties van vastheid. Er bestaan zeer stabiele idiomatische samenstellingen (‘klip en klaar’), minder vaste maar conventionele uitdrukkingen (‘aan de drank’, met varianten zoals ‘aan de coke’), en verder veel combinaties die formeel vrij zijn maar door frequent gebruik quasi-vast geworden zijn (‘een kopje koffie’). Over de onderzochte periode nam het aandeel van zulke voorspelbare, “samengeklonterde” taal duidelijk toe.
De auteurs bespreken drie plausibele oorzaken. Ten eerste kan geschreven taal in het algemeen conventioneler zijn geworden: vaste combinaties maken zinnen voorspelbaarder. Ten tweede zouden schrijvers steeds meer rekening kunnen houden met lezers en daarom vaker op kant-en-klare formuleringen terugvallen om leesbaarheid te verhogen. Ten derde speelt de sterke uitbreiding van het lexicon een rol: nieuwe termen ontstaan vaak als combinaties van bestaande woorden (bijv. ‘minister van Defensie’, ‘grote bonte specht’), wat het geheugen minder belast dan het invoeren van geheel nieuwe lexemen. Daarmee hangen ook psycholinguïstische factoren samen: het opdiepen van een woord uit het lexicon kost tijd, en als het vocabulaire groeit blijft er minder tijd over om woorden actief te combineren tot zinnen; vaste combinaties bieden dan een efficiënte oplossing.
Een belangrijke beperking van de studie is dat er alleen geschreven bronnen uit literair-culturele bladen beschikbaar waren — gesproken Nederlands uit 1850 ontbreekt — en het is dus onduidelijk of dezelfde trend in spreektaal hetzelfde beeld zou geven. Het idee dat voorspelbaarheid tussen woorden toeneemt werd eerder door de Leuvense taalkundige Joop van der Horst naar voren gebracht; Van de Velde en De Troij leveren nu empirische onderbouwing voor die hypothese over anderhalve eeuw.
Kort samengevat: Nederlands is tussen 1850 en 2000 merkbaar meer “samengeklonterd” geraakt, waarbij conventie, lezersgerichtheid en lexicale uitbreiding samen plausibele verklaringen bieden. Dit heeft implicaties voor taalverandering, taalverwerving en toepassingen zoals taaltechnologie, waar voorspelbare woordpatronen zowel kansen als uitdagingen scheppen.