Van anti-woke naar pro-Trump: hoe sommigen van mijn vrienden ontspoorden

zaterdag, 23 mei 2026 (05:26) - NRC Handelsblad

In dit artikel:

In 2022 kreeg de schrijver een uitnodiging van het Matthias Corvinus Collegium in Boedapest, een institutiewerking nauw verbonden met Viktor Orbáns Fidesz. Het voorstel: een week workshops en interviews over klimaatbeleid, alle kosten vergoed. Ondanks complimenten en het vooruitzicht op exposure weigerde hij expliciet: hij wil geen samenwerking met een zelfverklaarde illiberaal als Orbán.

Die persoonlijke anekdote fungeert als vertrekpunt voor een bredere analyse van heterodoxe academici die de laatste jaren in de armen van radicaal-rechtse netwerken belandden. De auteur onderscheidt twee groepen. De eerste bestaat uit onderzoekers die pragmatisch kiezen voor samenwerking met partijen als Fidesz, Vlaams Belang of Forum voor Democratie omdat ze elders worden buitengesloten. Als voorbeelden noemt hij Frank Furedi, die directeur werd van het Corvinus-instituut in Brussel, en Jan van de Beek, die onderzoek naar de economische effecten van migratie onderbrengt bij partijen die wel willen betalen. Deze praktijk voedt vervolgens het verwijt dat zulke academici “voor rechts werken”, ook al deden ze dat vaak uit gebrek aan alternatieven.

De tweede groep is ideologisch gemotiveerd: intellectuelen die uit afkeer van ‘woke’ en links actief de kant van Trumpisme of Orbán kiezen. Namen als James Lindsay, Jordan Peterson, Ayaan Hirsi Ali en Christopher Rufo passeren als voorbeelden van anti-woke-figuren die een politieke ommezwaai maakten of extreemrechts actief ondersteunen. Voor hen weegt de strijd tegen progressieve cultuurzorgen zwaarder dan bezorgdheid om liberale instituties.

De kernkritiek van de auteur is dat die omarming van radicaal-rechts gevaarlijk is: Trump en Orbán streven niet naar meer vrijheid, maar naar het opleggen van hun eigen orthodoxie. Concrete voorbeelden: Orbán verbood genderstudies en joeg de Central European University het land uit; Trump haalde haatdragende retoriek richting academische vrijheid en DEI-programma’s. Wat aanvankelijk weerstand tegen cancel culture of identitaire politiek leek, blijkt vaak te resulteren in spiegelbeeldige censuur en intolerantie zodra die bewegingen aan invloed winnen.

Tegelijk waarschuwt de schrijver progressieven dat eigen extremen een voedingsbodem scheppen voor rechts-populistische opmars. Als klimaatbeleid, migratie- of identiteitsdebatten onhoudbaar dogmatisch worden gevoerd, groeit de kans dat kiezers zich wenden tot autoritaire alternatieven. De oplossing is geen overgave aan radicaal-rechts — de auteur verwerpt zulke allianties consequent — maar zelfkritiek binnen progressieve kringen en het terugwinnen van rationele, breed draagvlak hebbende politiek op thema’s als klimaat en migratie. Alleen zo valt de aantrekkingskracht van illiberale figuren op lange termijn te verminderen.