Treinkaping bij Wijster 50 jaar geleden. 'Nederland heeft dit totaal niet zien aankomen'

zaterdag, 29 november 2025 (08:13) - Dagblad van het Noorden

In dit artikel:

Op 2 december 1975 brachten zeven Zuid‑Molukse jongeren uit Bovensmilde een stoptrein op de lijn Groningen–Zwolle bij Wijster tot stilstand. Wat voor passagiers een gewone rit naar Hoogeveen of Zwolle had moeten zijn, veranderde in een twaalf dagen durende gijzeling die Nederland schokte: de kapers eisten een bus naar Schiphol om per vliegtuig te vertrekken en schoten al snel meerdere inzittenden dood. De eerste dodelijke slachtoffers waren machinist Hans Braam en kort daarna militair Leo Bulter; op 4 december werd ook Bert Bierling vermoord. In totaal vielen minstens drie doden en raakten tientallen mensen lichamelijk en geestelijk beschadigd.

De acties moeten gezien worden tegen de achtergrond van decennia oude onvrede. In 1951 haalde Nederland duizenden KNIL‑militairen en hun gezinnen van de Molukken naar Nederland; veel van hen sympathiseerden met de uitgeroepen Republiek der Zuid‑Molukken (RMS). Demobilisatie en huisvesting in Nederland verliepen slecht: ontslagen soldaten bleven vaak werkloos, stateloos en woonden in slechte omstandigheden. Dat leidde in de jaren zestig en zeventig tot groeiende frustratie en radicalisering onder jongeren, aldus historici: demonstraties verscherpten en in 1970 leidde een bezetting van de ambassadeurresidentie in Wassenaar al tot een dodelijk slachtoffer.

De gijzeling bij Wijster verliep chaotisch. De kapers maakten van de trein een bolwerk, plakken ramen af en sloten deuren; de overheid, onervaren met zulke gijzelingen, probeerde onderhandelingen op te zetten vanuit een crisiscen­trum in Beilen. De kapers gaven herhaaldelijk ultimata; bij het verstrijken daarvan werden executies uitgevoerd. Pogingen van bemiddelaars, waaronder RMS‑president in ballingschap Johan Manusama en dominee Semuel Metiary, hadden in de eerste week weinig effect. Op 4 december begon tegelijk een tweede actie: de bezetting van het Indonesische consulaat in Amsterdam, uitgevoerd door een andere groep Molukse jongeren uit Bovensmilde, bedoeld als steunbetuiging aan de trein­kapers.

De omstandigheden voor gegijzelden waren erbarmelijk: koude nachten, gebrek aan hygiëne en voortdurende spanning. Na bijna twee weken bekoelde onderling de vastberadenheid van de kapers; invloedrijke tussenpersonen zoals Josina Soumokil (weduwe van RMS‑leider Chris Soumokil) droegen bij aan het besluit een deel van de kapers te laten stoppen met de actie. Op 14 december verlieten de overgebleven kapers de trein en werden de resterende 23 gegijzelden bevrijd.

De juridische nasleep leidde tot gevangenisstraffen van veertien jaar voor de betrokken kapers; één van hen, Eli Hahury, pleegde in 1978 zelfmoord in detentie. Voor de nabestaanden en vele gegijzelden begon een lange periode van verwerking; onder delen van de Nederlandse samenleving bleef aanvankelijk enige erkenning bestaan voor de achtergrond van de Molukse onvrede, maar die sympathie slonk na latere geweldsincidenten zoals de kaping bij De Punt. De acties van de jaren zeventig verscherpten ook maatschappelijke argwaan en droegen bij aan discriminatie van Molukkers op arbeidsmarkt en in het dagelijks leven.

Historici noemen de Wijster‑kaping een belangrijk keerpunt: het toonde hoe vastgelopen politieke en sociale problemen in een explosieve context konden ontaarden, en het dwong Nederland voor het eerst op grote schaal een strategie te ontwikkelen voor het omgaan met gijzelingen — later aangeduid als de Dutch approach, waarbij gijzelnemers zo lang mogelijk aan de praat worden gehouden in de hoop dat ze de actie beëindigen. Voor zowel Nederlanders als Molukkers bleef Wijster een trauma en een herkenningspunt in de gezamenlijke herinnering: de kapingen zijn sindsdien onlosmakelijk verbonden met hoe Nederland en de Molukse gemeenschap de jaren zeventig zijn gaan interpreteren.