Tien jaar na de afschaffing van het eenkindbeleid dreigt een demografische ineenstorting in China
In dit artikel:
Op 1 januari was het tien jaar geleden dat China officieel afzag van het eenkindbeleid; kort daarvoor overleed Peng Peiyun, de lange tijd verantwoordelijke voor de strikte uitvoering ervan. Het artikel van 11 januari 2026 reconstrueert hoe dit 35 jaar durende gezinsplanningsregime werd ingevoerd, waarom het voortduurde en welke blijvende demografische schade het heeft aangericht.
Het beleid begon eind jaren zeventig als antwoord op angst voor graantekorten en explosieve bevolkingsgroei. In 1979 stelde vicepremier Chen Muhua het eenkindidee voor, gesteund door leiders als Chen Yun en Deng Xiaoping. Het definitieve invoeringsbesluit volgde in 1980 na alarmistische modellen van onder anderen raketwetenschapper Song Jian en demograaf Tian Xueyuan die waarschuwden voor een veronderstelde groei tot 4,26 miljard mensen tegen 2080. Omdat er aanvankelijk intern scepsis bestond, werd het beleid niet via gewone wetgeving ingevoerd maar via een open brief en regionale experimenten.
Onder president Jiang Zemin en met medewerking van Peng Peiyun (die van 1988-1998 de Nationale Commissie voor Bevolking en Gezinsplanning leidde) werden de maatregelen aangescherpt. Cruciaal was het invoeren van een ‘een-stem-veto’-systeem dat promotie en loopbaan van plaatselijke ambtenaren koppelde aan hun succes in geboortebeperking. Dit creëerde sterke prikkels voor repressieve handhaving: campagnes zoals Shandong’s 1991 “Honderd Kinderloze Dagen” leidden tot gedwongen abortussen, ingeleide geboorten en huiszoekingen. In Pengs ambtsperiode werden naar schatting miljoenen vrouwen van anticonceptie voorzien of gesteriliseerd en werden naar schatting honderdduizenden tot gedwongen abortus gedwongen; cijfers in het artikel: ongeveer 110 miljoen IUD-plaatsingen, 41 miljoen sterilisaties en 110 miljoen abortussen.
De officiële statistieken en beleidsonderbouwing waren echter problematisch en deels gemanipuleerd. Peng bekleedde lange tijd leidende functies in demografische organisaties, waardoor onderzoek vaak politiek conform werd beloond. Volkstellingsuitslagen met zeer lage vruchtbaarheidscijfers (zoals 1,22 in 2000 en 1,18 in 2010) werden later opgerekt naar 1,8 resp. 1,63 om het beleid te legitimeren. Kritische wetenschappers werden geschoffeerd; de auteur van het artikel zelf voorspelde al in vroeg werk verdere daling van de vruchtbaarheid en werd geblokkeerd.
Pas langzaam schoof het regime richting versoepeling: een selectief tweekindbeleid in 2014 en landelijke invoering in 2016, maar beleidsmakers bleven vasthouden aan overschatte verwachtingen van een geboortegolf. Inmiddels erkennen functionarissen dat de bevolking vanaf 2022 krimpt en dat het vruchtbaarheidscijfer mogelijk in 2025 rond 0,9 kinderen per vrouw ligt. Dat maakt een demografische neergang — met vergrijzing, arbeidstekorten en langdurige economische gevolgen — tot een reële dreiging.
De centrale analyse luidt dat de eenkindpolitiek een symptoom is van een fundamentele systeembreuk: wanneer beleid wordt gedragen door topfunctionarissen en ondersteund door gemanipuleerde data en ideologisch gekleurde wetenschap, kunnen foute maatregelen decennialang doorgaan zonder verantwoording. Het artikel zet deze ervaring af tegen democratische voorbeelden (zoals India in de jaren zeventig), waar vergelijkbare dwangmaatregelen politiek snel werden teruggedraaid. De conclusie is dat China nu de rekening betaalt voor besluiten die destijds werden gerechtvaardigd met foutieve aannames en politieke druk.