Thomas Erdbrink spreekt in Persvrijheidslezing over kritiek op zijn Rusland-serie: 'De stem van de 'ander' mag niet worden gehoord'
In dit artikel:
Journalist Thomas Erdbrink verdedigde dinsdagmiddag in de Persvrijheidslezing in de Bibliotheek aan het Spui in Den Haag zijn werk tegen felle kritiek op zijn verslaggeving uit Iran, het Midden-Oosten en recentelijk Rusland. Volgens Erdbrink komt veel kritiek neer op één gedachte: „De stem van de ‘ander’ mag niet worden gehoord.” De lezing was georganiseerd door de Nederlandse Vereniging voor Journalisten en ging over de vraag of correspondenten nog onafhankelijk kunnen werken in landen waar persvrijheid krimpt.
Een groep van circa vijftien journalisten en schrijvers, onder wie Iris de Graaf en Pjotr Sauer, stuurde eerder een brandbrief waarin zij vraagtekens zetten bij Erdbrinks Videoland-serie Onze man bij de vijand. Ze betichten hem van het onverwerkt laten van Kremlin-narratieven, van samenwerking met personen verbonden aan de Russische staatsomroep RT en van hulp van Maria Boetina — die in de VS is veroordeeld voor spionage. Ook werden vertalingen en de rol van tolken aangehaald als mogelijke bronnen van manipulatie.
Erdbrink besprak deze aantijgingen punt voor punt. Hij wees erop dat materiaal op RT ooit werd uitgezonden voordat die zender in 2022 in Europa werd verboden, dat een interview niet hetzelfde is als ‘helpen’, en dat de vertalingen gecontroleerd werden door een team in Nederland. Verder plaatste hij de verontwaardiging in het bredere kader van maatschappelijke polarisatie — vergelijkbaar met de verdeelde discussies tijdens de coronaperiode — en stelde dat het feit dat journalisten ter plaatse gingen soms al genoeg is om verslaggeving als propaganda weg te zetten, zonder dat men de inhoud bekijkt.
De zaak illustreert de spankracht tussen toegang tot controversiële plekken en de noodzaak van kritische afstand: reizen en praten met ‘de ander’ kan verslaggevers zowel unieke inzichten als zware verwijten opleveren.