Terwijl kabinet-Jetten haperend aan de slag gaat, zwelt lokaal de anti-establishment-stem aan

vrijdag, 20 maart 2026 (00:00) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Rob Jetten zette zijn nieuwe positie als premier fors in om de gemeenteraadsverkiezingen te beïnvloeden, maar zijn inspanningen leverden weinig winst op. De D66-leider verscheen kort voor de stembusgang opeens in een landelijk praatprogramma en startte via het Torentje een campagne met oproepen om lokaal te doneren; die middelen werden gebruikt voor posters, advertenties en spotjes. De strategie was duidelijk: de zittende macht benadrukken en vast willen houden — intern sprak men zelfs over liefst tien tot vijftien jaar continuïteit. In de praktijk bleek die ‘premiersbonus’ onvoldoende om het nationale succes van D66 van vijf maanden eerder breed lokaal te verzilveren.

De oorzaak ligt deels in interne fricties binnen het pas aangetreden kabinet en in het schrijnende verschil tussen landelijke ambities en bestuurlijke realiteit. Belangrijke onderdelen van het coalitieakkoord staan onder druk of zijn opzijgezet: verhoging van de AOW-leeftijd is voorlopig doorgeschoven, bezuinigingen op bepaalde uitkeringen liggen op de helling en een aangekondigde aanpassing van de vermogensbelasting werd weer ingetrokken, wat gaten in de begroting veroorzaakte. Veertig acht dagen na het akkoord is er nog geen startnota gepresenteerd; minister van Financiën Eelco Heinen wil die samenvoegen met de voorjaarsnota, die pas over weken verwacht wordt. Voor een coalitie met de slogan ‘Aan de slag’ is het ontbreken van een concreet startpunt pijnlijk en verklaart mede waarom D66 landelijk momentum miste.

De uitslagen maakten duidelijk dat het landelijk politieke landschap twee hardnekkige trends laat zien: veel kiezers blijven weg (bijna de helft van de stemgerechtigden bleef thuis: 46,3% niet-stemmers) en wie wel komt stemmen geeft relatief vaak de voorkeur aan lokale partijen. Collectief wonnen lokale lijsten ongeveer 34% van de stemmen en claimen zij samen zo’n 3.391 raadszetels — meer dan de grote traditionele partijen gezamenlijk. Dit patroon manifesteerde zich ook bij de campagne-avonden: landelijke kopstukken verschenen kort, verklaarden bescheiden successen en verdwenen weer.

GroenLinks-PvdA, formeel nog in fusie en landelijk qua stemmen groot, leed wisselende resultaten: winst in sommige stedelijke centra, maar flinke verliezen in veel andere gemeenten. D66 verloor lokaal substantiële steun: volgens Ipsos I&O zei slechts een derde van degenen die in oktober D66 hadden gekozen dat ze dat lokaal opnieuw zouden doen. Die volatiliteit is kenmerkend voor D66 en verklaart de geïntensiveerde campagne-inspanning van Jetten in de laatste week.

Achter de electorale verschuivingen ligt een structureel probleem van lokale democratie. Gemeenten zijn steeds belangrijker geworden als uitvoerders van het sociale stelsel — jeugdzorg, bijstand, opvang — maar beschikken vaak over minder middelen en beleidsvrijheid dan vroeger. Afhankelijkheid van het Rijk groeide: gemeenten halen nu zo’n 72% van hun geld uit rijkssubsidies (tegen 62% in 2020). Dit heeft concrete gevolgen voor voorzieningen: zwembaden en bibliotheken verdwenen of werden vercommercialiseerd, en middelen die ooit voor ‘luxe’ bestemd waren, gingen vaak naar urgente zorgposten. Wethouders signaleren dat het financieel nauwelijks uitmaakt welke kleur het lokale bestuur heeft; besluitruimte is beperkt. Die uitholling van lokale zeggenschap draagt bij aan onverschilligheid en het gevoel dat stemmen weinig effect sorteert.

Lokale partijen treden in dat vacuüm in verschillende gedaanten naar voren. Sommige zijn ideologisch verankerd en langdurig actief, andere profileren zich als ‘ombudspolitiek’: pragmatisch, vraaggestuurd en anti-establishment. Die laatste formule spreekt kiezers aan die directe belangenbehartiging willen en die wantrouwen tegen landelijke partijen voelen. In veel gemeenten fungeert zo’n lokale lijst als de plek om concrete problemen aan te pakken — van parkeertarieven tot opvang van kwetsbare groepen.

Een zorgwekkende ontwikkeling is dat op onderdelen van het lokale verkiezingslandschap rechts-populistische en xenofobe signalen sterker naar voren kwamen. Waar FvD of PVV niet sterk aanwezig waren, fungeerden kleine lokale partijen soms als voertuigen voor anti-asielzoekersretoriek — voorbeelden zijn Liberaal Noardeast-Fryslân, Venloos Burger Initiatief en Doen’22. Onderzoek van Ipsos I&O wees uit dat 55% van de kiezers die lokaal stemmen bij landelijke verkiezingen de voorkeur geeft aan partijen aan de rechterkant (PVV, FvD, JA21 of BBB). De opmars van radicaal-rechts op het platteland en in perifere gemeenten hangt samen met gevoelens van verwaarlozing: mensen die voorzieningen, werk of status verliezen en het gevoel hebben dat de overheid niet meer zichtbaar en behulpzaam is, zijn kwetsbaar voor retoriek die identiteit en eerherstel belooft.

Cultureel-politieke reflecties van onderzoeksters zoals Catherine de Vries illustreren dit: in regio’s waar voorzieningen en collectieve zorg al waren verdwenen, werden nieuwe crisissen gezien als bevestiging van een falende staat en leidde dat tot verschuivingen richting radicaal-rechts. Tegelijkertijd laten sommige gemeenten ook andere wegen zien: lokale partijen die anti-establishmentgevoel opvangden met pragmatische voorstellen voor voorzieningen en humane, samenwerkende oplossingen voor vluchtelingenopvang.

De les voor Den Haag lijkt meervoudig. Allereerst vereist het herstel van vertrouwen zichtbare, tastbare dienstverlening en meer lokale beleidsruimte en financiën. Ten tweede toont de uitkomst dat lokale politiek geen randverschijnsel meer is, maar een primaire arena geworden waar kiezers direct hun angsten en wensen projecteren — van ombudspolitiek tot gevaarlijke xenofobe impulsen. Of die energie democratisch en constructief uitpakt, hangt af van hoeveel ruimere bevoegdheden, middelen en empathische overheidsgestalten het lokale bestuur kan terugkrijgen.