Terwijl Israël ongestoord tienduizenden burgers afmaakt, veinst het Westen morele zuiverheid

woensdag, 10 juni 2026 (11:46) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

In een lange persoonlijke beschouwing verbindt de auteur zijn herinneringen aan bezoekjes aan Guantánamo Bay (2008) met bredere reflecties over westerse hypocrisie in oorlog, recht en politiek. Tijdens zijn reportage over de voorbereidingen van de zaak tegen Omar Khadr — een Canadees die als vijftienjarige naar Gitmo werd gebracht — schetst hij een kille inventaris van het kamp: zogenaamd ‘coöperatieve’ en ‘niet-coöperatieve’ delen, minimale voorzieningen in Kamp 4 tegenover langdurige isolatie en zelfmoordpreventieve constructies in Kamp 5 en 6, en een rechtszaal zonder veel van de normale garanties (geheime getuigen, achtergehouden bewijsmateriaal, toleratie van verklaringen van horen zeggen). De auteur benadrukt de kloof tussen de retoriek van veiligheid en de realiteit dat veel gevangenen nooit voor enig misdrijf waren bewezen schuldig — en dat verplaatsing naar Amerikaanse gevangenissen de status quo al lang had kunnen beëindigen.

Die concrete ervaring met uitsluiting en juridisch uitzonderingsrecht bouwt hij uit tot een larger argument: westerse samenlevingen koesteren een dubbelzinnig zelfbeeld — zich zien als underdog en vrijheidsstrijders, maar feitelijk als de machtigste natie met imperiale capaciteiten. Culturele voorbeelden (films als Red Dawn, de ontvangst van zijn eigen roman American War) illustreren hoe gemakkelijk verhaalmotieven worden aangepast om die comfort-mythe in stand te houden. Die dubbele gedachtegang is geen naïviteit maar eigenbelang: het narratief van verzet en dat van gezagsuitoefening dienen dezelfde machtstructuren.

Tegelijk maakt de auteur de sprong naar hedendaagse geopolitiek: eind december 2023 diende Zuid-Afrika bij het Internationaal Gerechtshof een aanklacht wegens genocide in tegen Israël, onder meer gebaseerd op grootschalige vernietiging van ziekenhuizen en op blokkades van humanitaire hulp. De aanklacht roept bij velen eerst opluchting op omdat er eindelijk een officiële instantie is die iets doet; tegelijk toont deze stap pijnlijk de asymmetrie in het westerse reageren: regeringen die formeel het internationale recht onderschrijven, verdedigen in de praktijk bondgenoten of gebruiken omslachtige retoriek om verantwoordelijkheid te ontwijken. De auteur wijst op voorbeelden: leiders die steun aan het Internationaal Gerechtshof claimen maar de kern van Zuid-Afrika’s klacht afwijzen; staten die Israël politiek dekken terwijl ze binnenlands demonstranten bestraffen die om een staakt-het-vuren vragen.

De kernkritiek is moreel: machtige staten passen het internationale recht selectief toe wanneer het hun belangen niet schaadt. Dat systeem van uitzonderingen creëert niet alleen onrecht bij de slachtoffers; het knaagt aan het geweten van de toestemmende samenlevingen. De auteur stelt dat wat politici en commentatoren doorgaans ‘compassie’ of ‘bezorgdheid’ noemen, vaak een rekbare, instrumentele houding is: een symbolische vermelding van leed die niets kost en in lastige politieke tijden uitschuifbaar is.

Hij illustreert ook de maatschappelijke consequenties van die politieke keuze: culturele en professionele repercussies voor individuen die zich kritisch uitlaten — filmprojecten die worden teruggetrokken, lezingen die worden gecanceld, tentoonstellingen die voortijdig sluiten, carrières die worden geschaad. De druk om binnen geaccepteerde opvattingen te blijven en de bereidheid van veel mensen om hun medelijden of ongemak opzij te zetten, beschrijft hij als een vorm van zelfverraad: niet alleen het tolereren van andermans leed, maar het opofferen van je eigen vermogen tot verzet en moreel oordeel.

De auteur waarschuwt dat politieke afwegingen die nu lijken te werken — het beschermen van bondgenoten, het sparen van economische en strategische belangen — tegelijk de morele legitimiteit van instituties ondermijnen. Hij verwacht dat het internationaal recht uiteindelijk zal moeten oordelen en dat er aanhoudingsbevelen en bevindingen kunnen volgen, maar het probleem ligt dieper: het vertrouwen en de claim van het Westen op morele superioriteit worden uitgehold zolang het selectief toepassen van normen blijft bestaan.

Afsluitend vraagt hij zich af hoe lang het geruststellende verhaal over de eigen deugdzaamheid houdbaar blijft wanneer feiten en oorlogsdaad zichtbaar worden. Het centrale appel is niet louter juridisch maar existentieel: in plaats van te waarschuwen met pragmatische eigenbelangen, zou men zich moeten verzetten tegen de 'roof van de ziel' — het deel van jezelf dat opstaat tegen onrecht — en de morele prijs erkennen van het steunen of vergoelijken van geweld door bondgenoten.