Techbro's zoeken in de Europese filosofie naar een rechtvaardiging voor hun gewelddadige mensbeeld

donderdag, 21 mei 2026 (00:00) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

21 mei 2026 — Waarom grijpen machthebbers uit Silicon Valley vaak naar denkers uit de Duitse en Franse traditie? Het antwoord ligt volgens het artikel in een gedeeld mensbeeld: deze filosofen plaatsen geweld, mimetisch verlangen, technische noodlotgedachten en het ideaal van het heroïsche individu centraal — elementen die goed aansluiten bij hoe veel techleiders de wereld willen (her)vormen.

Silicon Valley is ideologisch heterogeen — van libertarisme en transhumanisme tot accelerationisme en effectief altruïsme — maar sommige filosoofnamen komen opvallend vaak terug: Friedrich Nietzsche, Carl Schmitt, Ernst Jünger, Martin Heidegger, René Girard en Leo Strauss. Waar deze denkers door opvattingen over macht, conflict en techniek controversieel zijn geworden, spreekt net die duistere blik sommige techondernemers aan. Voor hen is de mens geen optimistische, redelijk handelende actor maar een wezen van rivaliteit en potentieel geweld; politiek is verbonden met existentiële tegenstellingen en technologie is geen neutraal instrument maar een determinante kracht.

Concreet levert elk van die denkers ingrediënten voor een techwereldbeeld. Nietzsche benadrukt de wil tot macht en het breken van traditionele waarden — een gedachtegoed dat accelerationistische impulsen voedt. Schmitt plaatst de scheidslijn tussen vriend en vijand en daarmee het risico van sterven in de kern van politiek handelen. Jünger stelde de oorlog en de samensmelting van mens en machine in de Eerste Wereldoorlog positief voor: een vroeg soort cyborgdenken. Girard spreekt van mimetisch verlangen en het zondebokmechanisme; volgens hem ontbrandt conflict doordat mensen elkaar begeren wat de ander heeft, wat kan leiden tot collectieve uitroeiing van een buitenstaander. Strauss benadrukte dat politieke waarheid vaak verborgen en gevaarlijk is, en dat leiderschap esoterische kennis moet beheren.

In Silicon Valley wordt die theorie vertaald naar praktijken en beleidsvoorstellen. Peter Thiel, leerling van Girard, was betrokken bij het vormgeven van de like-knop, een mechanisme dat sociale vergelijking en mimetische spanning versterkt — iets wat onderzoeker Jonathan Haidt verband brengt met mentale gezondheidsschade bij jongeren. Thiels invloed reikt politiek: protegee J.D. Vance gebruikte retoriek die doet denken aan het zondebokmechanisme. Thiel en medeoprichter Alexander Karp richtten Palantir op; Karp, die op geweld studeerde in Duitsland, publiceerde The Technological Republic en Palantir bracht recent een 22-puntenmanifest uit met controversiële voorstellen, waaronder nauwere samenwerking met het leger en het ontwikkelen van krachtiger wapentechnologie. Dat type voorstellen toont hoe de acceptatie van een “gewelddadige mens” hand in hand kan gaan met pogingen om die kracht technologisch te organiseren en te beheersen.

Een andere invloed is de Dark Enlightenment (Nick Land, Curtis Yarvin): een radicale afwijzing van democratisch optimisme, pleitend voor technocratische of monarchale oplossingen — modellen die sommige techleiders bewonderen vanwege hun efficiëntie en ontkoppeling van massendemocratische processen. Ook het idee van de soevereine individu — bepleit in The Sovereign Individual — resoneert: internet en technologie zouden nationale vormen ondermijnen en ruimte geven aan zelfstandige, machtige individuen of kasten die boven de massa uitstijgen. Dat sluit aan bij een zelfbeeld onder veel ondernemers: uitverkoren innovators die moeten leiden.

Het artikel wijst er kritisch op dat techfiguren vaak selectief putten uit deze tradities. Belangrijke nuancepunten en ethische uitwegen die de originele denkers zelf soms aandragen, worden genegeerd. Nietzsche bevat bijvoorbeeld passages die macht bekritiseren en wijzen op de leegte van puur machtsstreven; Girard zag in de christelijke traditie juist mechanismen om zondebokgeweld te overstijgen. Heidegger, Schmitt en Strauss boden ook analyses die niet zonder meer om te zetten zijn in autoritaire of gewelddadige beleidslijnen. De techpraktijk kiest vooral die fragmenten die hun machtsprojecten en technologisch determinisme legitimeren.

Historische en persoonlijke verbindingen versterken die cirkel: de familiegeschiedenis van Elon Musk (een technocratische achtergrond en opgroeien in apartheid-Zuid-Afrika) is volgens de auteurs symbolisch voor een bepaalde mentaliteit van technische beheersing en elitair gezag. De conclusie is dubbelzinnig: de denkers bieden inzichten in de donkere kanten van het menselijk bestaan die technocraten willen adresseren, maar hun volledige projecten bevatten ook waarschuwingen en morele uitwegen die vaak buiten beeld blijven. De auteur waarschuwt dat wie met zulke ideeën werkt, niet alleen hun kracht moet benutten maar ook hun beperkingen en waarschuwingen moet erkennen — want wie in de afgrond kijkt, krijgt er iets van terug.