Techbedrijven verdienen aan Jodenhaat en Holocaust-ontkenning
In dit artikel:
Rabbijn Abraham Cooper, Ariel Gelblung en Daniel Schuster waarschuwen dat Holocaustontkenning sinds de Hamas-aanslag van 7 oktober 2023 wereldwijd is toegenomen en zich in Europa manifesteert op straat, op universiteiten, in culturele instellingen en op social media. Deze stijging gaat gepaard met meer vandalisme op herdenkingsplaatsen en gerichte intimidatie van overlevenden, en is volgens hen niet louter marginale provocatie maar een aanval op de morele fundamenten van het naoorlogse Europa.
In het digitale tijdperk functioneert ontkenning van de Holocaust steeds vaker als instrument van radicalisering en als commercieel model: haat wordt gepresenteerd als ‘content’, historische feiten maken plaats voor emotie en spektakel, en bereik en engagement verdringen de waarheid. De auteurs benadrukken dat de stemmen van Shoah-overlevenden, wanneer ze wegvallen, het geheugen kwetsbaarder maken voor manipulatie; de snelheid en schaal van online desinformatie vormen een nieuwe bedreiging.
Ze leggen uit dat de Holocaust niet abrupt in vernietigingskampen begon maar met taal — ontmenselijking, stereotypen, complottheorieën en uitsluiting — en dat institutioneel falen en morele lafheid dit mogelijk maakten. Antisemitisme zien zij niet als een geïsoleerd fenomeen maar als een vroeg waarschuwingssignaal van bredere maatschappelijke desintegratie. Daarom pleiten ze voor meer dan droge feitenkennis: onderwijs moet ook inzicht bieden in sociale en psychologische mechanismen die mensen het onaanvaardbare laten accepteren, en herdenken moet gepaard gaan met morele reflectie in plaats van louter ritueel.
De IHRA-werkdefinitie van antisemitisme noemen ze een bruikbaar analysekader, mits zorgvuldig toegepast om menselijke waardigheid en democratische waarden te beschermen. Fysieke herdenkingsplaatsen zoals Auschwitz-Birkenau, Majdanek en Treblinka blijven volgens hen essentieel omdat ze de realiteit van het verleden tastbaar houden en begrenzingen van taal aantonen.
Tot slot stellen de auteurs dat Europa voor een morele keuze staat: regulering en handhaving van digitale ruimtes zijn nodig, maar ook de bereidheid om verantwoordelijkheid te nemen voor de publieke sfeer. Technologiebedrijven mogen niet verdienen aan polarisatie en ontmenselijking. In Nederland leidt angst voor “gedoe” ertoe dat instellingen Joodse activiteiten mijden, en neemt de discussie over wat antisemitisme precies betekent — bijvoorbeeld bij zinnen als “From the river to the sea” — aan intensiteit toe.