Tandemfietsen: samen sterk, maar minder vermogen
In dit artikel:
Onderzoek van de Vrije Universiteit Amsterdam en de KNWU toont dat getrainde solowielrenners die voor het eerst op een tandem stappen bij een 10-minuten tijdrit minder vermogen leveren dan wanneer ze solo rijden, en dat ze daarbij met een veel hogere trapfrequentie trappen. De studie vergeleek drie typen inspanningen op zowel solofiets als tandem: een submaximale efficiëntietest, een 30-seconden Wingate-sprint voor piekvermogen en een 10-minuten tijdrit. Voor de efficiëntie en het piekvermogen werden geen significante verschillen gevonden tussen solo- en tandemfietsen; het verschil kwam duidelijk naar voren in de 10-minuten tijdrit. Ook was er geen aantoonbaar verschil in prestaties tussen de piloot en de stoker in deze opzet.
Achtergrond: tandemwielrennen is onderdeel van para-cycling en Paralympische programma’s. Op een tandem bestuurt en beslist de piloot, terwijl de stokerrijder (vaak visueel beperkt) samen met de piloot bijdraagt aan het totale vermogen. Omdat individuele maximale vermogens van twee renners niet zomaar op te tellen zijn voor het tandemvermogen, onderzochten de onderzoekers hoe ervaren solofietsers zich gedragen bij hun eerste tandemervaring.
De auteurs verklaren het lagere vermogen tijdens de 10-minuten inspanning door het grotere strategische en pacing-element van die test: langere tijdritten vereisen verdeling van energie en onderlinge afstemming, wat lastiger is voor renners zonder tandemervaring. De hogere trapfrequentie op de tandem wordt waarschijnlijk veroorzaakt door het synchroon trappen met een partner, wat de cadans natuurlijk verhoogt. Mogelijk verhinderde een beperkte steekproefgrootte het vinden van subtiele verschillen tussen piloot en stoker.
Praktische implicaties voor trainers: introduceer solowielrenners geleidelijk aan tandemrijden en besteed aandacht aan pacing- en tactiektraining voor langere inspanningen; oefen coördinatie en cadansafstemming tussen pilot en stoker; plan gerichte duurinspanningen op tandem om vermogensafgifte en energiedistributie te verbeteren. Houd rekening met individuele cadansvoorkeuren bij samenstellen van koppels en meet prestaties op zowel korte als langere taken om een compleet beeld te krijgen.