Systematisch onrecht bij donorconceptie vergt historisch onderzoek
In dit artikel:
Op 10 maart publiceerde een onderzoekscommissie het rapport Het incident voorbij over misbruik van eigen zaad door een gynaecoloog van Rijnstate in de jaren zeventig en tachtig. De commissie ontdekte dat die arts ten minste zestien kinderen verwekte met zijn eigen sperma bij nietsvermoedende wensouders, en waarschuwt dat dat aantal waarschijnlijk nog zal toenemen. Ook bleek dat hij soms zaad gebruikte dat voor ivf bestemd was.
Het dossier past in een breder patroon: inmiddels zijn zeven artsen en een laborant bekend die in de jaren zeventig, tachtig en negentig eigen zaad gebruikten, en minstens vijftien artsen blijken donorzaad op grote schaal te hebben ingezet zonder zich aan afspraken of registraties te houden. Inseminatiefraude en gebrekkige donorregistratie raken daarmee niet incidenteel maar structureel. Zelfs na 2004 — toen de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting donoranonimiteit ophefte en registratie verplicht werd — deden zich ernstige misstanden voor, zoals de massale verwekking van naar schatting 500 kinderen door donor Jonathan Meijer.
Tot nu toe zijn de meeste onderzoeken beperkt gebleven tot individuele instellingen of afzonderlijke commissies (zoals die onder leiding van Jan Kremer en Didi Braat). Die commissies hebben waardevol werk geleverd, maar geven volgens Adriejan van Veen onvoldoende zicht op de bredere historische en bestuurlijke context: welke cultuur, professionele normen, regels of politieke afwegingen maakten dit mogelijk? Het algemene verwijzen naar ‘de tijdgeest’ verhult volgens hem belangrijke vragen over verantwoordelijkheden van artsen, zorginstellingen, beroepsorganisaties en de overheid.
Van Veen pleit ervoor dat de Rijksoverheid een breed historisch onderzoek instelt naar misstanden rond kunstmatige donorinseminatie — vergelijkbaar met eerdere onderzoeken naar afstandsmoeders, jeugdzorg en andere historische schendingen. Niet om individuen te straffen, maar om oorzaken en patronen te doorgronden, slachtoffers te helpen hun ervaringen een plaats te geven en lessen te trekken voor de huidige praktijk. Daarbij spelen actuele knelpunten mee, zoals het massale gebruik van zaad uit buitenlandse spermabanken dat grote, grensoverschrijdende verwantschapsgroepen kan creëren en het lastig maakt voor donorkinderen om hun verwekker te achterhalen.
Kortom: de combinatie van structurele misstanden, blijvende schade voor betrokkenen en het ontbreken van een samenhangend historisch onderzoek vormen volgens Van Veen voldoende reden voor een nationaal, systematisch onderzoek naar donorconceptie in Nederland.