Studeren als gemeentepredikant: „Ik ben er jaloers op"
In dit artikel:
Drie predikanten uit verschillende kerkverbanden schetsen hoe het combineren van pastoraat en bijscholing in de praktijk verloopt — en waarom dat per kerkorganisatie sterk verschilt.
Ds. B. Labee (58) van de Gereformeerde Gemeenten in Veenendaal (2.418 leden per 1 januari) ervaart het predikantschap als intensief en veelzijdig. Naast zijn werk in de gemeente is hij consulent in Ede, docent aan de Theologische School in Rotterdam, hoofdredacteur van De Saambinder en afgevaardigde naar de generale synode. Vanwege deze opeenstapeling van taken is structureel studieverlof voor hem lastig; zijn wens om de theologie‑studie aan de VU af te maken of te promoveren staat voorlopig “in de ijskast”. De druk binnen de GG wordt volgens hem versterkt doordat veel gemeenten groot en vacant zijn, waardoor consulentdiensten, rouw‑ en trouwdiensten en pastorale zorg extra tijd vragen. Labee zegt wel steun van zijn kerkenraad te ervaren als hij ooit studieverlof zou willen opnemen.
In de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) is bijscholing niet verplicht, maar er zijn wel voorzieningen en adviezen. Ds. H.M. Mulder (36) van de Pniëlkerk in Veenendaal heeft verschillende bijscholingsvormen gevolgd, één keer kort studieverlof genomen en werkte in de begintijd met een mentor. Hij volgt preekkringen met collega’s, volgde cursussen (onder meer over predikkunde) en rapporteerde zijn studieactiviteiten aan de kerkenraad toen hij studieverlof nam. Vanwege verhuizing en de coronaperiode kon hij sindsdien geen langer verlof vinden, maar hij overweegt tijdelijk vrij te nemen voor een prekenserie over Ezechiël.
Binnen de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) geldt permanente educatie als verplichting. Ds. H.B. van der Knijff (30), die momenteel van Wilsum naar IJsselmuiden‑Grafhorst vertrekt, benadrukt dat bijscholing een roepingstaak is en meer met prioriteiten te maken heeft dan met tijdgebrek. Beginnende predikanten krijgen een mentor en volgen voortgezette nascholing; na vijf jaar is er meer eigen invulling mogelijk. Van der Knijff combineert momenteel een promotieonderzoek aan de VU (project “Preken als bron” van het Cornelis Graafland Centrum) met zijn pastoraat. Hij onderzoekt onder meer oudejaarspreken rond de Tweede Wereldoorlog en probeert via geconcentreerde studieperiodes, avondwerk en zomerverlof vooruitgang te boeken; hij hoopt rond 2028 te promoveren.
Samengevat: hoewel bijscholing breed als essentieel wordt gezien voor kwalitatieve prediking, botst dat in de praktijk met pastorale druk, kerkelijke taken en gemeentelijke verwachtingen. Kerkelijke structuren bieden uiteenlopende regelingen — van geen verplichting maar stimulerende maatregelen (CGK), tot verplichte permanente educatie (PKN) — en verschillen in ondersteuning en mogelijkheden voor verlof bepalen in sterke mate of en hoe predikanten hun studie kunnen voortzetten.