Steve Reich en Philip Glass zorgden, na Stockhausen, dat de luisteraar eindelijk weer vrij kon ademen
In dit artikel:
De negentigjarige Steve Reich en de bijna even oude Philip Glass behoren tot de meest gespeelde nog levende componisten. Hun succes vormt een scherp contrast met dat van Europese modernisten als Karlheinz Stockhausen en Pierre Boulez. Volgens de auteur ligt de verklaring niet in marketing of oppervlakkigheid, maar in het feit dat Reich en Glass muziek schreven die helder, direct en lichamelijk overtuigend klinkt. Hun minimalisme gaf luisteraars opnieuw ruimte om te ademen na een periode waarin muzikale complexiteit en theoretische ontoegankelijkheid de norm waren geworden.
De aanleiding voor deze vergelijking is een uitvoering van Stockhausens Mittwoch aus Licht in de Deutsche Oper in Berlijn. De auteur ervaart de zeven opera’s van Licht als een uitwas van het naoorlogse modernisme: een megalomaan project over kosmische goed-en-kwaadtegenstellingen, engelen, demonen en de toekomst van de mensheid. In Mittwoch vindt hij geforceerde zang, massieve koren en elektronische klanklagen die eerder gewichtig dan ontroerend werken. De bizarre scènes, waaronder een verkiezing van een nieuwe leider van het universum waarbij een kameel zeven wereldbollen uitwerpt, maken het werk volgens hem eerder absurd dan dramatisch. De poging om alles tegelijk verheven, symbolisch en concreet te maken, vernietigt uiteindelijk zowel de ernst als de ironie.
Toch erkent de auteur ook de ambitie van Stockhausen. Het getuigt van moed om een totaalvisie te ontwerpen en zichzelf als kunstenaar op het hoogste podium te plaatsen. Maar het Berlijnse publiek lijkt vooral het uithoudingsvermogen van de uitvoerenden te bewonderen. Voor de auteur laat de voorstelling zien hoe een cultuur van artistieke grootspraak en exclusiviteit het modernisme heeft losgezongen van het gewone luisteren.
Tegen die achtergrond wordt duidelijk waarom Reich en Glass in de jaren zestig een bevrijdende reactie vormden. De twee Amerikanen kenden elkaar in New York, werkten zelfs samen in een verhuisbedrijf en traden aanvankelijk buiten de gevestigde concertwereld op met eigen ensembles en podia. Beiden waren goed opgeleid, maar opereerden als buitenstaanders. Reich studeerde onder meer bij Luciano Berio; Glass werkte in Parijs met Nadia Boulanger. Hun muziek brak met de dichte, vaak seriële schrijfwijze van de avant-garde door gebruik te maken van herhaling, tonale centra, ritmische patronen en transparante structuren.
Die vereenvoudiging betekende niet dat hun muziek zonder techniek was. Reichs werken bevatten complexe verschuivingen en ritmische processen, maar maken die processen hoorbaar en inzichtelijk. Glass bouwde zijn composities vaak op uit herkenbare motieven, herhaalde akkoorden en ostinaten. Daardoor werd de luisteraar niet langer gedwongen eerst een theoretisch labyrint te beheersen. Glass werd mede dankzij Einstein on the Beach, opera’s, filmmuziek en concertwerken een wereldster; Reich bleef door de hogere technische eisen meer een componist voor een cultpubliek.
Hun invloeden kwamen bovendien uit verschillende werelden. Glass werkte samen met de Indiase musicus Ravi Shankar en werd gevormd door theater, beeldende kunst en kunstenaars als Sol LeWitt en Donald Judd. Reich verdiepte zich in Afrikaanse ritmes, Balinese gamelan, jazz en de muziek van Bach en Stravinsky. Toch zag Reich de oorsprong van het minimalisme niet vooral in niet-westerse muziek, maar in een breuk met de mentaliteit van Stockhausen, Boulez en John Cage. Zijn ritmische faseverschuivingen beschouwde hij als een nieuwe variant op de westerse canonische techniek.
De kern van hun vernieuwing was volgens de auteur het herstel van plezier, communicatie en overzicht in de hedendaagse klassieke muziek. Minimalisme was geen ontspanning zonder inspanning, maar een manier om met beperkte middelen een heldere en spannende orde te maken. Reich laat patronen langzaam verschuiven totdat een bijna kosmisch klankbeeld ontstaat. Glass werkt directer en ambachtelijker: zijn bouwstenen zijn eenvoudig te herkennen en geven de luisteraar meteen houvast. De auteur vindt Glass geen groot componist, maar wel een historisch zeer belangrijke figuur omdat hij muziek opnieuw als communicatiemiddel presenteerde.
Glass wilde bovendien bewust muziek schrijven die mensen konden waarderen. Hij verzette zich tegen de vraag of een werk wel of geen kunstmuziek was en vond de kwaliteit belangrijker dan ideologische of muziekhistorische etiketten. Die houding, mede geïnspireerd door zijn vader die als platenverkoper zelf uitzocht waarom muziek werkte of mislukte, hielp hem afstand te nemen van de angst om door het establishment te worden beoordeeld.
Tot slot bespreekt de auteur twee opera-ervaringen. In Leeuwarden voerden de Nederlandse Reisopera en het Noord Nederlands Orkest onder leiding van Alice Farnham Glass’ Waiting for the Barbarians uit, gebaseerd op de roman van J.M. Coetzee. De tekst over xenofobie en machtsmisbruik vindt hij moralistisch, de zangpartijen flets en de orkestratie beperkt. Toch werkt de productie dankzij de visuele kracht, de timing en Glass’ beheerste inzet van eenvoudige middelen. De zaal was voor ongeveer zeventig procent gevuld. Dat bezettingsniveau gebruikt de auteur als laatste bewijs voor zijn centrale punt: waar Stockhausen vooral bewondering voor zijn ambitie oproept, weet Glass een publiek daadwerkelijk bereid te maken om te luisteren.
Vandaag Inside: Valentijn Driessen neemt geen blad voor de mond over radioshow van Johan Derksen