Sterke oesterriffen beginnen bij genetische diversiteit
In dit artikel:
Welke oesters worden uitgezet, is bepalend voor het herstel van platte-oesterriffen in de Noordzee. Dat blijkt uit promotieonderzoek van Sophie Valk van Wageningen University & Research. De Europese platte oester is in Nederlandse wateren zo sterk afgenomen dat zij nauwelijks nog natuurlijke riffen vormt. Herstel van de soort moet ook leefgebieden voor meer dan honderd andere mariene soorten terugbrengen.
Valk onderzocht de genetische verschillen tussen wilde Nederlandse oesters, oesters uit Ierland en Noorwegen en in broedhuizen gekweekte nakomelingen van Nederlandse dieren. De Nederlandse wilde populaties bleken genetisch divers en onderling sterk verbonden. Ook de relatief recent ontstane populaties in de Voordelta en bij de Maasvlakte hebben inmiddels een genetische diversiteit die vergelijkbaar is met die van andere Nederlandse populaties, ondanks een vermoedelijk klein aantal oorspronkelijke ouderdieren en voortdurende blootstelling aan de ziekte bonamiosis.
Voor herstelprojecten hebben lokale oesters daarom de voorkeur, als de bestaande populatie voldoende variatie bezit. Als die ontbreekt, kunnen nabijgelegen of genetisch vergelijkbare populaties worden gebruikt. Daarbij moeten ook ziekteverspreiding, kosten en beschikbaarheid worden meegewogen. Oesters uit Ierland en Noorwegen wijken genetisch af van de Nederlandse populaties en zijn daardoor niet zonder meer geschikt.
De gekweekte Nederlandse oesters lijken genetisch goed aan te sluiten bij wilde Nederlandse dieren, maar zijn onderling sterker verwant. Als kwekers herhaaldelijk met nauw verwante ouderdieren werken, kan binnen enkele generaties inteelt ontstaan. Om dat te voorkomen zijn grote groepen ouderdieren, het combineren van verschillende nakomelingengroepen en goede registratie van voortplantingsgegevens nodig. Ook selectief kweken, bijvoorbeeld op ziekteresistentie, kan onbedoeld andere genetische variatie laten verdwijnen. Daarom moeten herkomst, diversiteit en verwantschap zowel tijdens de kweek als na uitzetting worden gevolgd.
Valk onderzocht daarnaast een methode om het geslacht van levende oesters te bepalen. Platte oesters kunnen tijdens hun leven van geslacht wisselen, maar geslachtsbepaling was tot nu toe alleen mogelijk door het dier te openen. Een computermodel herkende op basis van veertien DNA-markeringen verschillende geslachtsfasen en maakte met ongeveer 70 procent nauwkeurigheid onderscheid tussen overwegend mannelijke en vrouwelijke dieren. De methode moet nog verder worden getest, maar kan broedhuizen helpen een evenwichtiger groep ouderdieren samen te stellen. Het onderzoek pleit daarmee voor herstelstrategieën die per gebied genetisch maatwerk leveren en de natuurlijke veerkracht van de soort benutten.
Vandaag Inside: Nog meer pech voor Kees de Bever na ongeluk op filmset