Stel dat een Russisch bedrijf DigiD zou willen overnemen...
In dit artikel:
De Nederlandse regering verlengt zonder ingrijpen het contract met Solvinity — de partij die cruciale infrastructuur beheert voor DigiD en MijnOverheid — ondanks dat het bedrijf op het punt staat overgenomen te worden door de Amerikaanse reus Kyndryl. Staatssecretaris Van der Burg gaf een tweejarige verlenging, tegen de wens van een Kamermeerderheid in. Kritische cijfers uit het artikel: ruim twee miljoen dagelijkse inlogs en jaarlijks zo’n honderd miljoen brieven met onder meer belastingschulden, adressen en gevoelige persoonsgegevens lopen via deze infrastructuur.
Het bezwaar is tweeledig. Ten eerste verandert eigendom naar een Amerikaanse partij de juridische context: onder Amerikaanse wetten als de Cloud Act en de Foreign Intelligence Surveillance Act kunnen Amerikaanse diensten toegang tot data eisen zonder tussenkomst van een Nederlandse rechter. Ten tweede waarschuwde de privacyofficer van Logius (Binnenlandse Zaken) al in november 2025 dat het platform technisch niet volledig kan worden afgesloten voor de leverancier. De regering noemt continuïteit van DigiD als reden om niet te stoppen met de leverancier, maar juist die ingebedde afhankelijkheid is volgens de auteur het kernprobleem.
Die afhankelijkheid is geen nieuw verschijnsel, maar het resultaat van decennia van uitbesteding. Sinds de jaren negentig bouwde de overheid interne ICT-kennis af en liet marktpartijen de kernsystemen beheren. Aanbestedingen belonen vaak de laagste prijs, waarna leveranciers winsten terugverdienen via meerwerk, scopewijzigingen en verlengingen — een systeem dat lock-in en strategisch kennisverlies in de hand werkt. Politieke prikkels versterken dit: wie realistisch en hoger begroot, verliest van wie laag inzet; de echte kosten van afhankelijkheid en kwetsbaarheid verschijnen zelden op begrotingen.
Het artikel haalt Estland aan als tegenvoorbeeld: daar is kerninfrastructuur bewust als publieke dienst gehouden om digitale soevereiniteit te waarborgen. De kernconclusie luidt dat vitale digitale infrastructuur publiek beleid moet zijn, net als elektriciteit of water, en niet louter marktgoed. De Nederlandse overheid heeft volgens de auteur wel degelijk een keuze, maar heeft die structureel niet gemaakt — en verdedigt nu telkens met hetzelfde argument dat er geen alternatief was.