Steeds meer plasdrassen voor weidevogels
In dit artikel:
Nederland is van oudsher een waterrijk deltagebied en bood ideale leef- en broedplekken voor ganzen, eenden, reigers, steltlopers en sterns. Die toestand kantelde toen polders werden drooggelegd voor intensieve landbouw: met dijken, gemalen en diepe ontwatering ontstonden uitgestrekte eenvormige graslanden — de zogenoemde ‘grasfaltpolders’ — waarin een hoog en variabel waterpeil niet meer bestond. Vooral na de Tweede Wereldoorlog versnelde dit proces door ruilverkavelingen, kunstmest en intensiever veehouderij, waardoor veel weidevogelhabitat verdween en verdroging het landschap beheerste.
Natuurbeschermers en terreinbeherende organisaties (zoals Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en de Landschappen) reageerden door op kleine schaal reservaten te herstellen en het waterpeil lokaal te verhogen; die maatregelen lieten meteen vogelreacties zien (meer grutto’s, terugkeer van watersnip). Omdat zulke reservaten te klein waren om de grote verliezen te compenseren, werd gezocht naar praktische maatregelen op landbouwgrond zelf. Langs grootschalige peilverhoging over hele polders stonden veel boeren sceptisch; daarom kwam er vanaf 2003 een experiment met boerderijgewijze vernatting binnen het project Nederland‑Gruttoland, mede geïnitieerd door Vogelbescherming en gefinancierd door de Postcode Loterij.
Op laaggelegen percelen plaatste men mobiele, op zonne-energie werkende pompen die in enkele weken plasdrassen — natte graslanden of ondiepe waterplassen — creëerden. Die plasdrassen bleken vogelmagneten: teruggekeerde weidevogels gebruiken ze om te eten, baden, poetsen en te overnachten. Cruciaal bleek beheer zoals het laat maaien van omliggende percelen, zodat de plasdrassen geen broedval werden. Boeren zagen het voordeel: met een plasdras konden ze vogels aantrekken naar delen van hun bedrijf die voor de productie minder belangrijk waren; subsidies en vergoedingen maakten de keuze aantrekkelijker.
Het resultaat: inmiddels zijn er meer dan 1.000 vogelplasdrassen in Nederland en hun aantal neemt toe. Ze trekken zowel broedvogels (zoals grutto’s, kemphanen en regenwulpen) als tienduizenden doortrekkers (slobeend, wintertaling) en zelfs zeldzamere soorten (kraanvogel, witoogeend). Hoewel deze plasdrassen geen volledige vervanging zijn voor grootschalige herstelling van natte weidegebieden, functioneren ze als “parels van hoop” en als een praktische tussenstap richting ruimer herstel van het weidevogellandschap, vooral in polders als die rond Wommels en West‑Overijssel. De inzet van financiële prikkels en locatiegericht beheer blijft essentieel om deze vooruitgang te bestendigen en op te schalen.