Steden verhogen toeristenbelasting: 'Maar paar euro extra schrikt mensen niet af'
In dit artikel:
Steeds meer Europese steden proberen toeristenbelasting te verhogen om overlast te beperken, maar het effect op bezoekersaantallen blijkt beperkt. Barcelona verdubbelt vanaf april de toeristenbelasting naar ongeveer 10–15 euro per nacht en verwacht zo circa 200 miljoen euro per jaar extra binnen te halen, onder andere voor woningbouw. Amsterdam rekende al eerder op en int nu 12,5 procent over de overnachtingsprijs — het hoogste tarief van Europa — met als doel het centrum te ontlasten.
Toerismedeskundigen wijzen erop dat relatief kleine toeslagen de keuze voor een populaire stad zelden veranderen. Bert Smit, adviseur vrijetijdseconomie, benadrukt dat een paar euro niet vaak leidt tot andere bestemmingskeuzes; Isabel Mosk noemt daarnaast de sterke toename van reizen vanuit opkomende markten zoals India en Brazilië, waarvan veel reizigers steden als Barcelona en Amsterdam “absoluut willen bezoeken”.
Sinds de coronapandemie zijn stedentrips korter en vaker geworden, en daardoor meer over het jaar verspreid. Tegelijkertijd beperken regels rond hotels en Airbnb het aanbod, wat de prijzen opdrijft. Hogere overnachtingskosten leiden er bovendien toe dat toeristen minder uitgeven aan binnenactiviteiten: ze kopen vaker zelf boodschappen of brengen meer tijd in parken, op pleinen en op straat door. Dat kan de perceptie van drukte voor inwoners zelfs versterken, terwijl het totale aantal bezoekers nauwelijks daalt.
Steden hebben beperkte invloed op het soort toerist dat komt: of iemand voor cultuur of uitgaan reist laat zich moeilijk sturen. Wel zijn er wél mogelijkheden om gericht beleid te voeren, bijvoorbeeld door in te zetten op terugkerende bezoekers of de zogenoemde ‘kwaliteitstoerist’ — vaak gedefinieerd als iemand die veel uitgeeft of respectvol met natuur en cultuur omgaat. Dergelijke doelgroepstrategieën kunnen effect hebben, maar kosten en tijd maken ze niet eenvoudig.
Experts benadrukken dat losse maatregelen onvoldoende zijn. Toegankelijkheid via meer vluchten en treinen houdt de instroom hoog; belastingverhogingen alleen zijn “dweilen met de kraan open”. Spreiding van bezoekers naar wijken buiten het centrum werkt vooral bij reizigers die de stad al kennen; voor eerste bezoekers blijft het historische hart het belangrijkste. Effectieve spreiding vereist investeringen in nieuwe attracties en betere bereikbaarheid — ingrepen die vaak duur en complex zijn, maar nodig voor wereldsteden.
Tot slot wijzen Smit en Mosk op de dubbelrol van toerisme: het veroorzaakt drukte maar levert ook inkomsten, banen en voorzieningen. Een hogere toeristenbelasting heeft bovendien een symbolische waarde richting inwoners: het laat zien dat gemeenten actie ondernemen, ook al houdt een opcent van bijvoorbeeld 20 euro de meeste bezoekers niet tegen.