Statushouder vindt amper werk, al helemaal niet in tekortsectoren: 'De overheid moet er meer in dienst nemen'
In dit artikel:
De Algemene Rekenkamer oordeelt dat het in 2022 ingevoerde inburgeringsstelsel in Nederland faalt: het levert te weinig taalverbetering en arbeidsparticipatie op en helpt niet bij het vullen van tekorten op de arbeidsmarkt. Onderzoek naar de voortgang van ongeveer 65.000 statushouders laat zien dat veel nieuwkomers lange wachttijden doormaken en vaak onder hun niveau aan het werk gaan.
Sinds de hervorming zijn gemeenten verantwoordelijk voor intake, trajectplanning en koppeling aan taaanbieders. In de praktijk duurt het echter lang voordat inburgering kan beginnen: gemiddeld 111 weken — meer dan twee jaar — door wachttijden in azc’s, op een verblijfsvergunning, woning en het eerste gesprek met de gemeente. Het traject zelf neemt vervolgens vaak drie jaar of langer in beslag. In de opvangcentra wordt weinig gedaan: slechts een vijfde rondt een taalcursus af en zo’n 5 procent start met de officiële inburgering terwijl ze daar verblijven.
Wat betreft werkparticipatie blijkt dat ongeveer een kwart van de statushouders ooit betaald werk heeft binnen drie jaar na huisvesting in een gemeente; ver onder het landelijke gemiddelde van circa driekwart. Wie wel werk vindt, doet dat veelal in laagbetaalde, laagtaalintensieve banen (vakkenvuller, bezorger, afwasser) en niet in sectoren met personeelstekorten zoals zorg, bouw of IT. Gemeenten hebben bovendien vaak geen helder beeld van het opleidingsniveau of de arbeidsactiviteiten van zeven op de tien statushouders, waardoor passend inzet op talenten nauwelijks lukt.
De Rekenkamer wijst op de maatschappelijke en individuele verspilling: opgeleid personeel dat noodgedwongen laaggeschoold werk doet. Om het systeem te verbeteren worden meerdere maatregelen voorgesteld: vroegtijdig registreren van opleiding en kwalificaties, meer avond- en weekendtaallessen, minder gebruik van de makkelijke Z-route (zonder examens), het meetellen van taallessen op de werkvloer en het actief aannemen van statushouders door de rijksoverheid als goed voorbeeld. Ook waarschuwt de Rekenkamer dat gemeenten uiteenlopend handelen en dat onduidelijkheid over prioriteiten (snel uit de bijstand, hoog taalniveau, diploma halen of inzet op tekorten) het behalen van doelen belemmert.