Stadsecoloog Ton Denters vindt elk jaar nieuwe plantensoorten in Amsterdam

dinsdag, 28 oktober 2025 (11:07) - Reformatorisch Dagblad

In dit artikel:

Stadsecoloog Denters maakt duidelijk dat Amsterdam botanisch opvallend rijk is: ongeveer 1.650 plantensoorten groeien er — zo’n driekwart van de Nederlandse flora — en dat aantal groeit nog steeds. Toen hij veertig jaar geleden begon, werden er in de stad rond de 1.350 soorten geteld; sindsdien komen er jaarlijks zo’n zes à zeven nieuwe soorten bij. Oorzaken zijn het warmere stedelijke microklimaat, de 200 kilometer kademuur die als verticale leefruimte fungeert, en historische en actuele verbindingen met andere regio’s via scheepvaart en plantenverkeer.

Het Stenen Hoofd, een oude havenpier aan het IJ die sinds 1905 bestaat en lange tijd braak lag, vormt volgens Denters een klein botanisch wonder. Door morsen van handelsgoederen en de aanwezigheid van graansilo’s vestigden zich er exotische zaden, en een aantal soorten heeft zich weten te handhaven. Opvallend is er een grote populatie zandwolfsmelk, een zeldzame soort die op weinig plekken in Nederland voorkomt en die op het Stenen Hoofd al sinds de jaren tachtig standhoudt. Ook de schubvaren deed Denters in 1987 ontdekten — van één exemplaar is de populatie uitgegroeid tot ongeveer 900 varens op de kademuur — en het stengelomvattend havikskruid, een soort die elders vooral in kalkrijke Zuid-Limburgse wandjes voorkomt, groeit hier dankzij kalkrijke mortel op de muur.

De gemeente Amsterdam past inmiddels een bewust muurplantvriendelijk herstelbeleid toe. In plaats van harde mortels die muurflora vernietigen, worden kademuren waar mogelijk hersteld met kalkrijke, zachte mortel en een speciale laag turf die vocht omhoog transporteert tot circa 1,5 meter boven NAP. Dit model, ontwikkeld samen met ingenieurs, werd voor het eerst toegepast in de nieuwe Houthaven-wijk dicht bij het Stenen Hoofd. Daar zijn over enkele honderden meters tongvaren, kruipklokje en rotsschildzaad aangeplant of massaal aanwezig; sommige secties werden bewust ingeplant om snel een aantrekkelijke, ecologisch rijke muurvegetatie te creëren die bewoners aanspreekt.

Langs de nieuwe oeverdelen van Houthaven toont de brakwatervegetatie zoutminnende soorten zoals zulte en heen; heemst werd aangeplant met zaden uit de IJdoornpolder als doel een zaadbank op te bouwen die als back-up kan dienen wanneer populaties elders — in dit geval de kwetsbare heemst — in de problemen raken. Daarnaast levert het stadsbeeld ook mediterrane en subtropische aanwinsten op: planten die met kuipen en potten worden aangevoerd, zoals olijfbomen en Chinese waaierpalmen, kunnen ook zaden en kleine exoten meebrengen. Denters noemt voorbeelden als zuidelijke brandnetel, verschillende wolfsmelksoorten en een dwergmunt uit de Balearen.

De veranderende houding van bewoners en beleid speelt een rol: wilde planten mogen vaker blijven staan en er is meer kritiek op het weghalen ervan dan op overlast. Denters wijst erop dat deze 'gewildgroei' niet alleen biodiversiteit bevordert, maar ook bijdraagt aan klimaatadaptatie — planten houden vocht vast, koelen de omgeving en ondersteunen insecten — waarmee stadsnatuur functioneel onderdeel wordt van de oplossing voor actuele ecologische uitdagingen.