Staan we aan de vooravond van energie-lockdowns?
In dit artikel:
Het Internationaal Energieagentschap (IEA) waarschuwde op 20 maart dat de oorlog in het Midden-Oosten heeft geleid tot de grootste verstoring van de olieaanvoer ooit en presenteerde een tienpuntenplan met “onmiddellijke” maatregelen om het energieverbruik terug te dringen. De voorstellen — die variëren van gedragsbeperkingen tot beperking van brandstofverkopen en het activeren van reserves — roepen associaties op met eerdere energieringrepen zoals autoloze zondagen in 1973 en doen denken aan een mogelijke energielockdown.
Het IEA, in 1974 opgericht en met 32 lidstaten waaronder Nederland, noemt de huidige schok ernstiger dan de oliecrises van 1973 en 1979 plus de gascrisis van 2022 samen. De organisatie wijst erop dat belangrijke zeestraatopeningen (meer dan 20 procent van de olie- en LNG-stromen) via de Straat van Hormuz lopen, terwijl ook de Rode Zee en het Suezkanaal bedreigd zijn. Bovendien is beschadiging van raffinaderijen en exporthubs in de Golfstaten gemeld (onder andere Ras Tanura, Fujairah en Ras Laffan), wat de beschikbaarheid van geraffineerde producten als diesel, kerosine (jet fuel) en LPG extra onder druk zet.
Nederland heeft voorlopig geen ingrijpende maatregelen ingevoerd; het kabinet zegt geen tekorten te zien en gaf uit de strategische reserve 5,4 miljoen vaten vrij (ongeveer een vijfde van de voorraad). Energie-expert Martien Visser noemt die reactie relatief laconiek en waarschuwt dat voorbereidingen wenselijk zijn om een noodsituatie te voorkomen, terwijl hij ook twijfelt aan de juridische status van de IEA-aanbevelingen.
In Europa zijn al uiteenlopende maatregelen zichtbaar. Slowakije beperkte dieselverkopen en export; Slovenië stelde aankooplimieten; Hongarije hanteert prijsplafonds voor eigen kentekens; Portugal nam prijsplafonds voor elektriciteit en verplicht reductions in verbruik. Tegelijkertijd overwegen enkele landen belastingverlagingen op olieproducten om consumenten te ontzien. De beleidsreacties lopen dus uiteen: van drang naar besparen tot het stimuleren van aanbod.
De marktreacties zijn scherp: de prijzen van sommige geraffineerde producten stegen sneller dan die van ruwe olie — jet fuel verdrievoudigde meteen na de aanvallen — en Europa importeerde vorig jaar meer dan een derde van zijn vliegtuigbrandstof uit Koeweit. Dat voedt zorg over knock-on effecten op de voedselvoorziening. Meer dan 40 procent van de wereldexport van ureum en 30 procent van de ammoniak — essentiële meststoffen — komt uit landen rond de Perzische Golf; de ureumprijs is sinds december al met ongeveer 75 procent gestegen. Met het zaaiseizoen voor de deur noemen analisten het ‘een race tegen de klok’: aanhoudende blokkades of langdurige productiestops in Qatar zouden binnen weken de wereldvoedselprijzen flink kunnen opdrijven.
Ook de visserij voelt de pijn: hoge dieselkosten houden grote aantallen vissers aan de wal. In Nederland blijft ongeveer de helft van de boomkorvissers in de haven; vergelijkbare signalen komen uit Ierland en Thailand.
Dat betekent niet dat energieringrepen onvermijdelijk zijn. Landen kunnen proberen het aanbod te vergroten — bijvoorbeeld door sancties te heroverwegen of Groningen weer open te stellen — of tijdelijk vaker op kolen over te schakelen. Politiek gezien speelt een andere factor: rantsoeneren van energie sluit goed aan bij klimaatambities om fossiele uitstoot te verminderen. Nederlandse en Europese politici, zoals premier Rob Jetten, benadrukken dat het klimaatbeleid niet versoepeld moet worden om prijzen te drukken en zien de afbouw van fossiele afhankelijkheid als urgente prioriteit, ook al heeft die afbouw Europa op sommige punten gevoeliger gemaakt voor alternatieve leveringsrisico’s en hogere prijzen.
Tegelijkertijd werpt de combinatie van energie- en mogelijke voedselcrisis vragen op over langetermijnbeleid en governance. Internationale organisaties zoals WHO en de Wereldbank bespraken al beleidslijnen die gericht zijn op meer industriële en gecentraliseerde voedselproductie en strengere nationale voedselcontroles. Critici wijzen erop dat zulke plannen in crisisomstandigheden makkelijker kunnen worden doorgevoerd en vragen zich af welke gevolgen dat heeft voor lokale landbouw en voedselsoevereiniteit.
Kortom: het IEA-signalement plaatst Europa en Nederland voor reële risico’s met brede economische en maatschappelijke effecten — van hogere brandstof- en voedselprijzen tot mogelijke gedrags- en beleidsmaatregelen — terwijl de politieke reactie varieert tussen voorzorg, marktmaatregelen en benutting van de crisis om klimaatdoelen kracht bij te zetten.