Spirituele ravefilm-regisseur Oliver Laxe: 'Ik geloof dat alles al geschreven is, en goed geschreven'
In dit artikel:
Regisseur Oliver Laxe (43) verscheen in mei op het filmfestival van Cannes als een opvallende, dromerige verschijning en sleepte er met Sirât de Juryprijs binnen — de film kreeg ook veel bijval op het IFFR. Sirât volgt een vader die zijn dochter zoekt en onderweg een nomadische ‘tribe’ van gekneusde en soms gehandicapte ravers ontmoet; samen trekken ze de woestijn in voor een ultieme rave die uitloopt op een lijdensweg vol pijnlijke verrassingen. De film presenteert zich als pelgrimstocht of mystieke beproeving: de titel verwijst naar de smalle, gevaarlijke brug van het aardse naar het paradijs en fungeert als metafoor voor een pad vol obstakels en keuzes. De hypnotiserende elektronica van dj Kangding Ray versterkt de intensiteit van de bioscoopervaring.
Laxe, geboren in 1982 in Parijs als zoon van Spaanse conciërges, maakte vroeg naam op festivals. Na studies in reclame en film in Barcelona verhuisde hij naar Marokko en bouwde sindsdien een oeuvre op dat sterk verbonden is met reële gemeenschappen en locatiewerk. Eerdere titels zijn onder meer Todos vós sodes capitáns (2010, ook in Cannes), de Atlas-western Mimosas (2016) en O Que Arde / Fire Will Come (2020), over een pyromaan opgenomen met dorpelingen in Galicië. Voor dat laatste project restaureerde Laxe zelfs de hoeve van zijn grootmoeder en leeft hij deels volgens een pastorale, pre-industriële levensstijl; zijn liefde voor geiten en lokale gemeenschapsvormen speelt een grote rol in zijn persoonlijke en artistieke keuzes.
Sirât werd afgemaakt met steun van Pedro Almodóvar, die Laxe openlijk heeft geholpen en voor wie hij veel waardering heeft. Tegelijk waarschuwt Laxe zichzelf om niet te bezwijken voor te veel professionele verleiding: hij werkt bij voorkeur met amateurs en echte mensen uit randgroepen — in Sirât zijn dat ravers die hun littekens niet verbergen. Laxe ziet hun neo-tribalisme niet als vlucht of escapisme, maar als overgave aan een pad: vrijheid is volgens hem beperkt, het leven stuurt je, en je kunt hooguit de manier waarop je ermee omgaat kiezen.
Thema’s die door zijn werk lopen zijn spiritualiteit, rouw en transformatie. Laxe zegt dat tragedies in zijn films vaak als genade fungeren — gebeurtenissen die groei en begrip mogelijk maken — en hij wil niet shockeren om de shock, maar een “rite de passage” tonen die tot essentie en herstel leidt. Zijn werkwijze is intuïtief: beelden, geluid en verhaal worden gemixt om in de kijker onverwachte verbindingen teweeg te brengen, met films als persoonlijke zoektochten naar zelfontdekking, een hulpstuk voor de blinde mens in de wereld.
Sirât kreeg daarnaast twee Oscarnominaties (beste internationale film en geluid). Terwijl Laxe dit jaar van festival naar festival reist, blijft zijn praktische leven — inclusief het geitencollectief — tijdelijk achter; de regisseur balanceert tussen eenvoudige, contemplatieve idealen en de glamour die zijn films hem brengen.